Paringsdans
Dominique | Lesbisch feuilleton | Aflevering 65
Gepubliceerd op: 25 januari 2006
Het kinky feestje is door alle dames overleefd. Ternauwernood, gezien de hoeveelheden drank die eraan te pas (en te onpas) moesten komen om de vele expliciete uitingen van Sado Masochistisch geweld aan te kunnen. Do, gezegend met een flinke kater, wordt uit bed gebeld door Fiona, die geen idee heeft bij wie ze in hemelsnaam is wakker geworden...
De telefoon ging. En bleef gaan. Als in slowmotion bewoog ik mijn hand naar het ding toe, maar hij leek er maar niet te willen aankomen. Ik schoof de arm van Cat, die zwaar op mijn borstbeen rustte, van me af en waagde opnieuw een poging. De hoorn gleed van de haak en meteen ook van het nachtkastje. Ik hoorde een verwarde stem vanaf de parketvloer vragen of ik er wel was.
Ik keek op de wekker. Half twee. Het zei me eigenlijk niet zo veel. Langzaam kwam de wereld om mem heen in beweging.
“Hallo, Do? Cat?”
Ik rolde naar de rand van het bed en greep naar de hoorn, die ik uiteindelijk met veel moeite tegen mijn oor wist te krijgen. Ik rochelde wat teerrestanten uit mijn longen omhoog, waarna het glibberige goedje zich vervolgens via mijn slokdarm naar mijn maag stuwde, die vervolgens zelf maar moest uitvogelen welke kant het van daaruit op moest.
“Do, ben jij dat? Mijn god, je lijkt wel een zeehond met kinkhoest.” Haar schorre stem verried een ernstige kater.
“Waar ben je?” Vroeg ik hees en met bonkend hoofd.
“Ja, daar belde juist voor. Ik had gehoopt dat jij mij daar antwoord op zou kunnen geven.”
“Ik geloof niet dat ik je nu al kan volgen.”
“Do, ik weet niet waar ik ben!” Haar gefluister klonk redelijk paniekerig.
“Je ligt toch in bed?” hoopte ik hardop.
“Ja, maar in welk bed? Ik weet niet van wie dit bed is. En trouwens, ik lig op de bank, zie ik nu.”
Ik wreef de slaap uit mijn ogen en de kater naar mijn achterhoofd.
Cat draaide zich murmelend naar me toe en deed één oog open. “Hoelaatizzet?”
“Nog geen tijd, ga maar weer slapen.”
Ik strompelde uit bed en nam Fiona aan mijn oor mee naar de badkamer, waar ik de overvloed aan alcohol die om onverklaarbare reden niet in mijn bloed was opgenomen in de pot mikte.
“Hoe, ehh, zijn we thuisgekomen?” Vroeg ik geeuwend aan Fiona.
“Weet ik veel, ik bén niet eens thuisgekomen.”
“Waar ben je dan?”
“Ja, dat weet ik dus niet.” Ze fluisterde nog altijd.
“Waarom fluister je?”
“Omdat ik niet wil dat iemand me hoort.”
“Met wie ben je naar buiten gelopen?” vroeg ik weer.
“Geen idee, hoe laat waren we eigenlijk weg?”
“Al sla je me dood...”
“Wie heeft er gereden?”
Ik probeerde na te denken, maar daar kwamen mijn hersenen tegen in opstand. “Dat kan ik nu nog niet zeggen.”
“Wat is dat nou weer?”
“Zover kan ik nog niet terug. Misschien Tamar, die zou niet drinken, zei ze.”
“Zei ze ja, je weet toch dat zwangere vrouwen altijd liegen...”
Ik trok door en liep naar beneden. In de keuken kwam ik erachter dat ik spiernaakt was en liep daarom weer terug naar boven om een slip en een T-shirt aan te trekken. Weer terug in de keuken zette ik koffie en smeerde een broodje met hazelnootpasta, Fiona nog altijd fluisterend in mijn oor.
“Hoe ziet het er daar uit, waar je bent?” vroeg ik met mijn mond vol.
“Pff, weet ik veel. Het is gewoon een huiskamer, alleen ben ik hier nog nooit geweest.”
“Weet je echt niet met wie je bent meegereden?”
“Ik heb hele gaten in mijn geheugen.”
“Korsakovje?”
“Joh, lul niet. Ik zie mijn kleren ook nergens trouwens. Oh wacht, ik zie mijn bloes. En onder de stoel ligt mijn broek. Kolere, wat een ravage is het hier.” Ze bleef even stil. “Do?”
“Hmmhm?” Ik schonk een kop koffie in.
“Van wie zijn die andere kleren?”
Ik trok een gezicht. “Maak er eens een foto van, met je mobiel en MMS dat even.”
“Godver...”
“Wat?”
“Wacht even...”
Ik hoorde hoe ze opstond van de bank en door de kamer schuifelde.
“Weet je ’t al?” vroeg ik.
Ik kreeg geen antwoord. In plaats daarvan hoorde ik alleen maar wat gerommel. “Wat ben je aan het doen?” Ik was ondertussen op de bank geploft en legde mijn voeten op tafel.
“Kut”, hoorde ik zacht. “Kut kut kut kut kut kut...”
“Wat is er, wat doe je?”
“Mijn slip ligt hier.”
Alsof ik kon zien waar ‘hier’ was.”
“Met een andere slip ernaast!” hijgde ze in mijn oor.
“Ja, en?”
Ik hoorde een deur piepend open gaan. Fiona viel stil en leek naar adem te snakken. Op de achtergrond klonk een vrouwenstem. Fiona drukte kennelijk haar hand tegen de hoorn, want de stem verstomde en ik verstond niet wat er werd gezegd.
“Fioon?” Geen antwoord.
Ik fronste diep en probeerde uit alle macht iets mee te krijgen van de woordenwisseling.
“Fioon, hallo?”
“Ja zo, ik kom zo bij je”, zei ze kort.
Ik hoorde iemand praten. Een vrouwenstem, maar kon niet direct opmaken bij wie die hoorde.
De deur sloeg weer dicht en het bleef een tijdje stil.
“Do...?” klonk het aarzelend.
“Ja?”
“Ik geloof dat ik al weet waar ik ben.”
“Waar dan?”
“Bij Brenda.”
Ik was even uit het veld geslagen. “Sorry?”
“En dat is nog niet het ergste...” klonk het onheilspellend. “Volgens mij zijn we met elkaar naar bed geweest...”
Ik geloof dat ik niet eerder zo onnozel, met mijn koffiekop gevaarlijk los in de hand, naar een glazen salontafel heb gestaard...
Drank maakt meer kapot dan je lief is? Lees het volgende week!
De telefoon ging. En bleef gaan. Als in slowmotion bewoog ik mijn hand naar het ding toe, maar hij leek er maar niet te willen aankomen. Ik schoof de arm van Cat, die zwaar op mijn borstbeen rustte, van me af en waagde opnieuw een poging. De hoorn gleed van de haak en meteen ook van het nachtkastje. Ik hoorde een verwarde stem vanaf de parketvloer vragen of ik er wel was.
Ik keek op de wekker. Half twee. Het zei me eigenlijk niet zo veel. Langzaam kwam de wereld om mem heen in beweging.
“Hallo, Do? Cat?”
Ik rolde naar de rand van het bed en greep naar de hoorn, die ik uiteindelijk met veel moeite tegen mijn oor wist te krijgen. Ik rochelde wat teerrestanten uit mijn longen omhoog, waarna het glibberige goedje zich vervolgens via mijn slokdarm naar mijn maag stuwde, die vervolgens zelf maar moest uitvogelen welke kant het van daaruit op moest.
“Do, ben jij dat? Mijn god, je lijkt wel een zeehond met kinkhoest.” Haar schorre stem verried een ernstige kater.
“Waar ben je?” Vroeg ik hees en met bonkend hoofd.
“Ja, daar belde juist voor. Ik had gehoopt dat jij mij daar antwoord op zou kunnen geven.”
“Ik geloof niet dat ik je nu al kan volgen.”
“Do, ik weet niet waar ik ben!” Haar gefluister klonk redelijk paniekerig.
“Je ligt toch in bed?” hoopte ik hardop.
“Ja, maar in welk bed? Ik weet niet van wie dit bed is. En trouwens, ik lig op de bank, zie ik nu.”
Ik wreef de slaap uit mijn ogen en de kater naar mijn achterhoofd.
Cat draaide zich murmelend naar me toe en deed één oog open. “Hoelaatizzet?”
“Nog geen tijd, ga maar weer slapen.”
Ik strompelde uit bed en nam Fiona aan mijn oor mee naar de badkamer, waar ik de overvloed aan alcohol die om onverklaarbare reden niet in mijn bloed was opgenomen in de pot mikte.
“Hoe, ehh, zijn we thuisgekomen?” Vroeg ik geeuwend aan Fiona.
“Weet ik veel, ik bén niet eens thuisgekomen.”
“Waar ben je dan?”
“Ja, dat weet ik dus niet.” Ze fluisterde nog altijd.
“Waarom fluister je?”
“Omdat ik niet wil dat iemand me hoort.”
“Met wie ben je naar buiten gelopen?” vroeg ik weer.
“Geen idee, hoe laat waren we eigenlijk weg?”
“Al sla je me dood...”
“Wie heeft er gereden?”
Ik probeerde na te denken, maar daar kwamen mijn hersenen tegen in opstand. “Dat kan ik nu nog niet zeggen.”
“Wat is dat nou weer?”
“Zover kan ik nog niet terug. Misschien Tamar, die zou niet drinken, zei ze.”
“Zei ze ja, je weet toch dat zwangere vrouwen altijd liegen...”
Ik trok door en liep naar beneden. In de keuken kwam ik erachter dat ik spiernaakt was en liep daarom weer terug naar boven om een slip en een T-shirt aan te trekken. Weer terug in de keuken zette ik koffie en smeerde een broodje met hazelnootpasta, Fiona nog altijd fluisterend in mijn oor.
“Hoe ziet het er daar uit, waar je bent?” vroeg ik met mijn mond vol.
“Pff, weet ik veel. Het is gewoon een huiskamer, alleen ben ik hier nog nooit geweest.”
“Weet je echt niet met wie je bent meegereden?”
“Ik heb hele gaten in mijn geheugen.”
“Korsakovje?”
“Joh, lul niet. Ik zie mijn kleren ook nergens trouwens. Oh wacht, ik zie mijn bloes. En onder de stoel ligt mijn broek. Kolere, wat een ravage is het hier.” Ze bleef even stil. “Do?”
“Hmmhm?” Ik schonk een kop koffie in.
“Van wie zijn die andere kleren?”
Ik trok een gezicht. “Maak er eens een foto van, met je mobiel en MMS dat even.”
“Godver...”
“Wat?”
“Wacht even...”
Ik hoorde hoe ze opstond van de bank en door de kamer schuifelde.
“Weet je ’t al?” vroeg ik.
Ik kreeg geen antwoord. In plaats daarvan hoorde ik alleen maar wat gerommel. “Wat ben je aan het doen?” Ik was ondertussen op de bank geploft en legde mijn voeten op tafel.
“Kut”, hoorde ik zacht. “Kut kut kut kut kut kut...”
“Wat is er, wat doe je?”
“Mijn slip ligt hier.”
Alsof ik kon zien waar ‘hier’ was.”
“Met een andere slip ernaast!” hijgde ze in mijn oor.
“Ja, en?”
Ik hoorde een deur piepend open gaan. Fiona viel stil en leek naar adem te snakken. Op de achtergrond klonk een vrouwenstem. Fiona drukte kennelijk haar hand tegen de hoorn, want de stem verstomde en ik verstond niet wat er werd gezegd.
“Fioon?” Geen antwoord.
Ik fronste diep en probeerde uit alle macht iets mee te krijgen van de woordenwisseling.
“Fioon, hallo?”
“Ja zo, ik kom zo bij je”, zei ze kort.
Ik hoorde iemand praten. Een vrouwenstem, maar kon niet direct opmaken bij wie die hoorde.
De deur sloeg weer dicht en het bleef een tijdje stil.
“Do...?” klonk het aarzelend.
“Ja?”
“Ik geloof dat ik al weet waar ik ben.”
“Waar dan?”
“Bij Brenda.”
Ik was even uit het veld geslagen. “Sorry?”
“En dat is nog niet het ergste...” klonk het onheilspellend. “Volgens mij zijn we met elkaar naar bed geweest...”
Ik geloof dat ik niet eerder zo onnozel, met mijn koffiekop gevaarlijk los in de hand, naar een glazen salontafel heb gestaard...
Drank maakt meer kapot dan je lief is? Lees het volgende week!