Paringsdans
Dominique | Lesbisch Feuilleton | Aflevering 55
Gepubliceerd op: 31 oktober 2005
Dominique keert gefrustreerd huiswaarts na een debaculeus avondje uit. Cat en de andere meiden zijn achtergebleven in Amsterdam. Na zich thuis op de bank een stuk in de kraag te hebben gedronken, doet ze wat ze meestal doet wanneer ze zich ellendig voelt en verzandt in zelfmedelijden: iets stoms. Ze belt John, een oude bekende uit een ver verleden, die dat ook vooral had moeten blijven...
Mijn oogleden leken wel van lood. Het lukte me nog net er tussendoor te turen naar John, die tegenover me in de leunstoel zat. Zijn voeten lagen nonchalant over elkaar, gestoken in Italiaanse designschoenen, onder een broek van dito makelij. Ik vroeg me wel eens af of ‘ie misschien niet ook zo sliep, in zo’n onberispelijk pak. Ik had ‘m nooit op iets anders kunnen betrappen. Geen slordig verkreukeld overhemd of een ongestreken pantalon, nee, John liep er altijd bij alsof zijn kleren zo onder de naaimachines van een couturier vandaan kwamen, met hem er al in gestikt.
Ik keek naar de trage bewegingen van zijn lange pianovingers, waarmee hij een sigaar uit een klein plat doosje viste. “Jij een?” Hij keek me met zijn diepbruine ogen enigszins geamuseerd aan. Ik haatte die blik. En de kleur van zijn ogen, waardoor je nooit echt goed kon zien wanneer hij nu oprecht genoot van wat hij zag of net deed alsof. Ik schudde mijn hoofd. “Zeker weer een uit eigen doos?”
Hij lachte zijn scheve lach en stak de dunne bruine cigarillo aan. De rook ervan kwam langzaam mijn kant op gewalmd.
“Zit je in de problemen?” vroeg hij zacht met zijn diepe lage stem.
“Nog niet”, antwoordde ik na enige aarzeling.
Zijn ogen knepen zich samen. “Waarom heb je me gebeld, Do?”
“Wil je een eerlijk antwoord?”
Hij haalde wat ongeïnteresseerd zijn schouders op.
Ik zuchtte. “Geen idee.”
Hij lachte een rookpluim voor zich uit. “Je bent dronken en toch gespannen, grappig.”
Ik vond het helemaal niet grappig.
“Hoe is het met je vriendinnetje, je hebt toch een vriendinnetje?”
“Goed.”
“Hm.” Hij zeeg achterover in de stoel en bleef me met zijn doordringende blik aankijken.
“Als dat zo zou zijn zat ik hier niet. Op de een of andere manier komen wij elkaar alleen maar tegen als het met een van ons niet zo lekker gaat.”
Ik ontweek zijn blik. De laatste keer dat ik John had gezien was alweer enige tijd geleden, ruim voordat Cat en ik een relatie kregen. Ik kende John van mijn werk, waar hij als vertegenwoordiger van een multimediaconcern bij vlagen de deur platliep en ik hem tussen diverse redactievergaderingen door wel eens tegen het lijf liep. John was een echte womanizer. Een van het ergste soort ook nog. Zo een waarvan je weet dat je je er beter niet mee in kunt laten, omdat je niet meer bent dan de zoveelste verovering van tijdelijke aard. Iedereen op de redactie weet wie John Lansberg is. We hebben zelfs een secretaresse gehad die, wanneer ze maar het flauwste vermoeden had van zijn komst, acuut verlof opnam.
Ik begreep aanvankelijk die ‘paniek’ niet zo. En onsympathiek kon ik hem ook al niet vinden, omdat hij zijn reputatie zelf ook niet onder stoelen of banken stak. En wat had ik te ‘vrezen’ voor een man als John? We hadden tenslotte een belangrijke gemeenschappelijke deler: vrouwen. Toen ik hem dat eens tussen neus en lippen door vertelde, tijdens een tête á tête over coffee, werd hij laaiend enthousiast. Zo erg zelfs, dat ik hem sissend tot bedaren moest brengen. Hij wilde ook meteen alles weten. Het was voor het eerst dat ik het gevoel kreeg een oprecht gesprek met hem te kunnen voeren, zonder enige vorm van spot of sarcasme, iets wat bij John doorgaans bijna onmogelijk was.
Vanaf dat moment benaderde hij mij anders. Met meer respect dan hij doorgaans wist op te brengen voor de andere vrouwen op mijn werk. Dat waren niet meer dan potentiële ‘projecten’, zoals hij ze oneerbiedig noemde. We gingen zelfs regelmatig stappen in Amsterdam, waar we nachtenlang doorhaalden en soms zelfs een weddenschap aangingen over wie het eerst met een vrouw op een hotelkamer zou belanden. Ik moet zeggen dat hij daar meer bedreven in was dan ik. Het was me slechts één keer gelukt van hem te winnen.
Maar het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan en dus kwam het onvermijdelijke moment van de versierpoging.
We zaten op een zaterdagavond in de lounge van een hotel in de Amsterdamse binnenstad, waar John zo ongeveer een abonnement op had. We dronken veel, te veel en het gesprek kreeg als snel een uitdagend karakter. “Heb je wel ooit seks met een man gehad?” vroeg hij op een gegeven moment.
Ik staarde hem met waterige ogen aan. “Natuurlijk, anders zou ik toch niet zo zeker weten dat ik dat niet meer hoef?”
Hij glimlachte flauw, zijn ogen werden zo mogelijk nog donkerder. “Maar hoe was dat dan, dat kan toch nooit een goede ervaring zijn geweest?”
Ik wuifde zijn opmerking snuivend weg. “Weet je hoe vaak ik dat al niet gehoord heb, zulk slap gelul, over dat wij lesbische vrouwen dan toch zeker nog nooit een ‘echte vent’ hebben gehad?”
Zijn gezicht stond serieus en hij schoof iets naar me toe. “Nee dat bedoel ik niet, ik bedoel het letterlijk. Seks met een man kan toch gewoon ook heel fijn zijn, romantisch, teder, zacht, liefdevol. Is dat de ervaring die je hebt?”
Ik fronste even en nam nog een slok van mijn Campari. “Nee, de eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik het zo niet ervaren heb.”
Hij hield zijn lange lijf iets naar achteren en keek me triomfantelijk aan. “Zie je nou, volgens mij is dat het probleem van heel veel lesbische vrouwen, het feit dat ze die ervaring missen en daarom ten onrechte denken dat ze die met een man ook niet zouden kunnen hebben.”
Ik lachte. “Dit is wel de goedkoopste truc die iemand ooit heeft gebruikt om me het bed in te krijgen zeg.”
Zijn lach bulderde door de ruimte van het hotel. Hij boog zich weer voorover. “De vraag is”, zei hij lijzig, “of me dat ook zou lukken?”
Of het de drank was of gewoon de losse sfeer, of allebei, op het moment dat hij dat vroeg en de manier waarop hij me vervolgens aankeek deed ergens diep vanbinnen wel iets borrelen bij me. Ik keek hem lang aan, misschien iets te lang, zijn gezicht was slechts een paar centimeter van het mijne verwijderd. Zijn scheve glimlach verwerd tot een brede grijns. “Denk je “, fluisterde hij terwijl ik zijn adem bijna kon proeven en een lichte zweem cognac mijn neusgaten binnendrong, “dat het me zou lukken om je heel zacht en teder te verwennen?”
Ik probeerde te slikken, maar mijn keel was droog geworden. Hij hield me gevangen in zijn verlangende blik.
“Denk je niet”, ging hij zachtjes verder, zijn vrije hand inmiddels losjes op mijn bovenbeen, die een gat in mijn spijkerbroek leek te branden, “dat mijn tong net zo goed raad weet met jouw heerlijk zachte vrouwelijkheid als al die vriendinnetjes van je...?”
Ik bevochtigde mijn lippen en wilde hem van repliek dienen, maar in plaats daarvan kwam er een zacht gekreun uit het diepst van mijn keel. Dat was meteen mijn grootste probleem met John. Ik deed bij hem op de een of andere manier altijd precies het tegenovergestelde van wat ik werkelijk wilde. Of wat ik zou moeten willen...
Ik schoof langzaam zijn hand weg en schraapte mijn keel. “Daar eh, twijfel ik eerlijk gezegd helemaal niet aan.”
John liet zich niet ontmoedigen en verlegde zijn hand van mijn been naar mijn rug, waarna hij langzaam om mijn schouder gleed. Als ik al niet gevangen zat in zijn blik, dan nu toch zeker in zijn omhelzing. Het gekke was dat het totaal niet raar voelde. Natuurlijk, ik had hem moeten wegduwen, duidelijker moeten zijn, maar ik was te beneveld om me dat allemaal te kunnen bedenken. Hoe goed ik ook wist wat John wilde, ik voelde me simpelweg niet onveilig bij deze man.
Er ging nergens een alarmbel rinkelen en dat alleen al had me toch zorgen moeten baren.
Hij streelde mijn schouder met trage bewegingen. Zijn dij raakte de mijne toen hij nog dichterbij schoof. Ik kon zijn warmte door de spijkerstof heen voelen. Zijn adem tegen mijn hals trok een siddering langs mijn ruggengraat. Ik hield mijn hoofd iets naar beneden en mijn ogen gesloten. Ik voelde hoe ik onbedoeld genoot van zijn aanrakingen, die inderdaad heel teder waren.
“Laat me je beminnen, Dominique. Ik vind je zo mooi. Laat me met mijn handen door je prachtige lange haren woelen, terwijl ik dat heerlijke lichaam van je overal kus en je langzaam meeneem in mijn ritme.”
Zijn gefluister tegen mijn hals en wangen wond me op. Ik voelde hoe ik op hem reageerde en dat ik niet eens mijn best deed het tegen te gaan.
Ik herinnerde me vaag dat een collega eens tegen me had gezegd John Lansberg nooit groen licht te geven, in niets. Maar het was precies wat ik wel ik deed, toen ik me door hem mee liet voeren naar boven, naar zijn hotelkamer...
En nu zat ik tegenover hem op de bank, in mijn huiskamer, om zes uur ’s morgens en weer was ik nagenoeg dronken. Maar dit keer wilde ik hem weerstaan. Ik hield van Cat. Wilde alleen maar haar en zat denkbeeldig de haren uit mijn kop te rukken van frustratie.
Mijn mobiel pingelde me uit mijn gepeins.
Ik pakte hem op en keek naar het oplichtende schermpje. Mijn blik schoot even richting John en toen weer terug naar mijn telefoon.
Het was Cat…
...en hoe loopt dit af? Volgende week meer Paringsdans!
Mijn oogleden leken wel van lood. Het lukte me nog net er tussendoor te turen naar John, die tegenover me in de leunstoel zat. Zijn voeten lagen nonchalant over elkaar, gestoken in Italiaanse designschoenen, onder een broek van dito makelij. Ik vroeg me wel eens af of ‘ie misschien niet ook zo sliep, in zo’n onberispelijk pak. Ik had ‘m nooit op iets anders kunnen betrappen. Geen slordig verkreukeld overhemd of een ongestreken pantalon, nee, John liep er altijd bij alsof zijn kleren zo onder de naaimachines van een couturier vandaan kwamen, met hem er al in gestikt.
Ik keek naar de trage bewegingen van zijn lange pianovingers, waarmee hij een sigaar uit een klein plat doosje viste. “Jij een?” Hij keek me met zijn diepbruine ogen enigszins geamuseerd aan. Ik haatte die blik. En de kleur van zijn ogen, waardoor je nooit echt goed kon zien wanneer hij nu oprecht genoot van wat hij zag of net deed alsof. Ik schudde mijn hoofd. “Zeker weer een uit eigen doos?”
Hij lachte zijn scheve lach en stak de dunne bruine cigarillo aan. De rook ervan kwam langzaam mijn kant op gewalmd.
“Zit je in de problemen?” vroeg hij zacht met zijn diepe lage stem.
“Nog niet”, antwoordde ik na enige aarzeling.
Zijn ogen knepen zich samen. “Waarom heb je me gebeld, Do?”
“Wil je een eerlijk antwoord?”
Hij haalde wat ongeïnteresseerd zijn schouders op.
Ik zuchtte. “Geen idee.”
Hij lachte een rookpluim voor zich uit. “Je bent dronken en toch gespannen, grappig.”
Ik vond het helemaal niet grappig.
“Hoe is het met je vriendinnetje, je hebt toch een vriendinnetje?”
“Goed.”
“Hm.” Hij zeeg achterover in de stoel en bleef me met zijn doordringende blik aankijken.
“Als dat zo zou zijn zat ik hier niet. Op de een of andere manier komen wij elkaar alleen maar tegen als het met een van ons niet zo lekker gaat.”
Ik ontweek zijn blik. De laatste keer dat ik John had gezien was alweer enige tijd geleden, ruim voordat Cat en ik een relatie kregen. Ik kende John van mijn werk, waar hij als vertegenwoordiger van een multimediaconcern bij vlagen de deur platliep en ik hem tussen diverse redactievergaderingen door wel eens tegen het lijf liep. John was een echte womanizer. Een van het ergste soort ook nog. Zo een waarvan je weet dat je je er beter niet mee in kunt laten, omdat je niet meer bent dan de zoveelste verovering van tijdelijke aard. Iedereen op de redactie weet wie John Lansberg is. We hebben zelfs een secretaresse gehad die, wanneer ze maar het flauwste vermoeden had van zijn komst, acuut verlof opnam.
Ik begreep aanvankelijk die ‘paniek’ niet zo. En onsympathiek kon ik hem ook al niet vinden, omdat hij zijn reputatie zelf ook niet onder stoelen of banken stak. En wat had ik te ‘vrezen’ voor een man als John? We hadden tenslotte een belangrijke gemeenschappelijke deler: vrouwen. Toen ik hem dat eens tussen neus en lippen door vertelde, tijdens een tête á tête over coffee, werd hij laaiend enthousiast. Zo erg zelfs, dat ik hem sissend tot bedaren moest brengen. Hij wilde ook meteen alles weten. Het was voor het eerst dat ik het gevoel kreeg een oprecht gesprek met hem te kunnen voeren, zonder enige vorm van spot of sarcasme, iets wat bij John doorgaans bijna onmogelijk was.
Vanaf dat moment benaderde hij mij anders. Met meer respect dan hij doorgaans wist op te brengen voor de andere vrouwen op mijn werk. Dat waren niet meer dan potentiële ‘projecten’, zoals hij ze oneerbiedig noemde. We gingen zelfs regelmatig stappen in Amsterdam, waar we nachtenlang doorhaalden en soms zelfs een weddenschap aangingen over wie het eerst met een vrouw op een hotelkamer zou belanden. Ik moet zeggen dat hij daar meer bedreven in was dan ik. Het was me slechts één keer gelukt van hem te winnen.
Maar het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan en dus kwam het onvermijdelijke moment van de versierpoging.
We zaten op een zaterdagavond in de lounge van een hotel in de Amsterdamse binnenstad, waar John zo ongeveer een abonnement op had. We dronken veel, te veel en het gesprek kreeg als snel een uitdagend karakter. “Heb je wel ooit seks met een man gehad?” vroeg hij op een gegeven moment.
Ik staarde hem met waterige ogen aan. “Natuurlijk, anders zou ik toch niet zo zeker weten dat ik dat niet meer hoef?”
Hij glimlachte flauw, zijn ogen werden zo mogelijk nog donkerder. “Maar hoe was dat dan, dat kan toch nooit een goede ervaring zijn geweest?”
Ik wuifde zijn opmerking snuivend weg. “Weet je hoe vaak ik dat al niet gehoord heb, zulk slap gelul, over dat wij lesbische vrouwen dan toch zeker nog nooit een ‘echte vent’ hebben gehad?”
Zijn gezicht stond serieus en hij schoof iets naar me toe. “Nee dat bedoel ik niet, ik bedoel het letterlijk. Seks met een man kan toch gewoon ook heel fijn zijn, romantisch, teder, zacht, liefdevol. Is dat de ervaring die je hebt?”
Ik fronste even en nam nog een slok van mijn Campari. “Nee, de eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik het zo niet ervaren heb.”
Hij hield zijn lange lijf iets naar achteren en keek me triomfantelijk aan. “Zie je nou, volgens mij is dat het probleem van heel veel lesbische vrouwen, het feit dat ze die ervaring missen en daarom ten onrechte denken dat ze die met een man ook niet zouden kunnen hebben.”
Ik lachte. “Dit is wel de goedkoopste truc die iemand ooit heeft gebruikt om me het bed in te krijgen zeg.”
Zijn lach bulderde door de ruimte van het hotel. Hij boog zich weer voorover. “De vraag is”, zei hij lijzig, “of me dat ook zou lukken?”
Of het de drank was of gewoon de losse sfeer, of allebei, op het moment dat hij dat vroeg en de manier waarop hij me vervolgens aankeek deed ergens diep vanbinnen wel iets borrelen bij me. Ik keek hem lang aan, misschien iets te lang, zijn gezicht was slechts een paar centimeter van het mijne verwijderd. Zijn scheve glimlach verwerd tot een brede grijns. “Denk je “, fluisterde hij terwijl ik zijn adem bijna kon proeven en een lichte zweem cognac mijn neusgaten binnendrong, “dat het me zou lukken om je heel zacht en teder te verwennen?”
Ik probeerde te slikken, maar mijn keel was droog geworden. Hij hield me gevangen in zijn verlangende blik.
“Denk je niet”, ging hij zachtjes verder, zijn vrije hand inmiddels losjes op mijn bovenbeen, die een gat in mijn spijkerbroek leek te branden, “dat mijn tong net zo goed raad weet met jouw heerlijk zachte vrouwelijkheid als al die vriendinnetjes van je...?”
Ik bevochtigde mijn lippen en wilde hem van repliek dienen, maar in plaats daarvan kwam er een zacht gekreun uit het diepst van mijn keel. Dat was meteen mijn grootste probleem met John. Ik deed bij hem op de een of andere manier altijd precies het tegenovergestelde van wat ik werkelijk wilde. Of wat ik zou moeten willen...
Ik schoof langzaam zijn hand weg en schraapte mijn keel. “Daar eh, twijfel ik eerlijk gezegd helemaal niet aan.”
John liet zich niet ontmoedigen en verlegde zijn hand van mijn been naar mijn rug, waarna hij langzaam om mijn schouder gleed. Als ik al niet gevangen zat in zijn blik, dan nu toch zeker in zijn omhelzing. Het gekke was dat het totaal niet raar voelde. Natuurlijk, ik had hem moeten wegduwen, duidelijker moeten zijn, maar ik was te beneveld om me dat allemaal te kunnen bedenken. Hoe goed ik ook wist wat John wilde, ik voelde me simpelweg niet onveilig bij deze man.
Er ging nergens een alarmbel rinkelen en dat alleen al had me toch zorgen moeten baren.
Hij streelde mijn schouder met trage bewegingen. Zijn dij raakte de mijne toen hij nog dichterbij schoof. Ik kon zijn warmte door de spijkerstof heen voelen. Zijn adem tegen mijn hals trok een siddering langs mijn ruggengraat. Ik hield mijn hoofd iets naar beneden en mijn ogen gesloten. Ik voelde hoe ik onbedoeld genoot van zijn aanrakingen, die inderdaad heel teder waren.
“Laat me je beminnen, Dominique. Ik vind je zo mooi. Laat me met mijn handen door je prachtige lange haren woelen, terwijl ik dat heerlijke lichaam van je overal kus en je langzaam meeneem in mijn ritme.”
Zijn gefluister tegen mijn hals en wangen wond me op. Ik voelde hoe ik op hem reageerde en dat ik niet eens mijn best deed het tegen te gaan.
Ik herinnerde me vaag dat een collega eens tegen me had gezegd John Lansberg nooit groen licht te geven, in niets. Maar het was precies wat ik wel ik deed, toen ik me door hem mee liet voeren naar boven, naar zijn hotelkamer...
En nu zat ik tegenover hem op de bank, in mijn huiskamer, om zes uur ’s morgens en weer was ik nagenoeg dronken. Maar dit keer wilde ik hem weerstaan. Ik hield van Cat. Wilde alleen maar haar en zat denkbeeldig de haren uit mijn kop te rukken van frustratie.
Mijn mobiel pingelde me uit mijn gepeins.
Ik pakte hem op en keek naar het oplichtende schermpje. Mijn blik schoot even richting John en toen weer terug naar mijn telefoon.
Het was Cat…
...en hoe loopt dit af? Volgende week meer Paringsdans!