Paringsdans
Dominique | Lesbisch Feuilleton | Aflevering 48
Gepubliceerd op: 22 augustus 2005
Dominique is gerustgesteld als blijkt dat Eliza’s moeder niet onwelwillend tegenover hun plan staat. Haar eerste werkdag verloopt echter minder soepel. Fiona neemt haar mee naar het strand om een beetje te ontspannen, alwaar de rest van de crew ook verblijft. Een ontspannen dagje aan zee dreigt onverwachts toch nog in het water te vallen...
Eindelijk weer aan het werk. Na alle hectische toestanden was ik eraan toe mijn gedachten te verzetten en mijn handen weer te laten wapperen. Het was afwachten of Eliza’s moeder haar dochter erbij wilde lappen, want zo voelde het, maar we hadden goede hoop. Ze had het idee niet meteen van tafel geveegd. Het enige wat we nog konden doen was afwachten.
Dedlev, de hoofdredacteur van het tijdschrift waar ik voor werkte, kwam de redactie opgestoven en smeet een print op mijn bureau. Hij miste op een haar na mijn dampende koffiebekertje. “Ook goedemorgen”, zei ik droog.
Hij liep naar het bureau tegenover me en ging zitten, om me vervolgens met zijn priemende blauwe ogen uitdrukkingloos aan te gaan zitten staren. Ik keek zijdelings naar het papiertje en richtte mijn blik toen weer op hem. “Wat is dit?” vroeg ik.
“Heb je dit gelezen?” vroeg hij geïrriteerd en knikte kort naar het witte velletje tekst. Dedlev was een schat. Sociaal, meelevend, met een enorm gevoel voor humor, maar als hoofdredacteur doorgaans een tiran. Zijn pietluttigheid ging soms heel ver en er was maar weinig wat werkelijk zijn goedkeuring kon wegdragen. De kwaliteit bewaken a la, maar oeverloos mierenneuken zoals alleen hij dat kan joeg menigeen met regelmaat de gordijnen in.
“We hebben een deadline, vanmiddag om twaalf uur moet alles binnen zijn en hij keurt het interview af!”
Ik fronste. “En wie is hij dan wel, om dat te kunnen doen?”
“Je ziet toch verdomme wel wie dat is?”
“Ik bedoel, als hij gezegd heeft wat hier staat, wat is dan het argument om dit niet geplaatst te willen zien?”
“Dominique”, en hij zeeg zuchtend in zijn stoel. “Deze man is een ‘goede vrind’ van de directeur.”
“Van Justus? Heeft die vrienden?”
“Daar heeft dit heerschap al contact mee opgenomen en nu is Justus furieus.”
“Op de journalist toch zeker?” Ik nam een slok en zag nog altijd niet waarom Dedlev zich nu zo opwond. Op zo’n eerste dag en ook nog eens na een hersenschudding zat ik niet bepaald te wachten op moeilijk gedoe.
“Hij wil jou spreken,” zei Dedlev en vouwde zijn armen voor zijn borst. Zijn goedkope gladgestreken streepjesoverhemd spande zich om zijn tengere bovenlijf. Met de blonde stekels op zijn kalende schedel en spitse oren aan de zijkant ervan leek hij op een rat. Zo kon hij zich ook gedragen trouwens.
“Mij? Ik heb dit artikel niet geschreven.”
“Jij bent de eindredacteur, jij had het moeten zien.”
“Wat moeten zien? Dit is mijn eerste werkdag sinds een week!” Ik schoot nu ook uit mijn slof.
“Dedo!” Een bulderende orkaan aan decibellen scheerde rakelings langs me heen. Justus had zijn grijze hoofd om de deurpost van zijn kantoor gestoken en keek dreigend onze kant op. Dedo gebruikte hij als samenvoeging van onze namen, ten teken dat hij ons allebei aan zijn bureau wenste, en snel.
We stonden op en liepen zuchtend naar zijn hok. Daar wachtte ons een preek over het artikel dat ik zojuist onder ogen had gekregen en wat kennelijk voor nogal wat beroering had gezorgd. Met de belofte het interview over te laten doen en een plaatsvervangend artikel te plaatsen uit een stapel ‘sprokkels’, konden we gaan.
Ik had het meteen helemaal gehad en trakteerde mezelf op een vroege lunch buiten de deur. Eenmaal in de frisse lucht belde ik Fiona.
“Ben je al op je werk?” vroeg ik en stak om de hoek van de hoofdingang een sigaret op.
“Ben onderweg. Jij?”
Zo te horen zat ze in de auto. “Je klinkt als een marsmannetje.”
Fiona grinnikte. “Nieuwe headset, draadloos. Bleutooth.”
“Bloetoet? Klinkt ellendig in je toetoet. Heb je tijd om te lunchen?”
“Do, het is tien uur, ik heb net m’n ontbijt door m’n darmen geduwd.”
“Koffie dan?”
“Kom maar naar de restauratie van het ziekenhuis, wacht ik daar wel op je. Eerste werkdag niet zo lekker begonnen zo te horen.”
“Je zou je understatements eens in boekvorm uit moeten brengen.”
Later...
Ik had al drie koppen koffie op en Fiona luisterde zwijgend naar mijn tirade over wat er zojuist op mijn werk was gebeurd.
“Je moet je niet zo druk maken”, was haar enige commentaar.
Het maakte me alleen maar bozer. “Jij hebt makkelijk praten, jij flikkert een aspirine bij je patiënten naar binnen, ruimt de poepluiers op en smijt de restjes macrobiotisch veevoer terug de gaarkeuken in.”
“Dat is inderdaad zo’n beetje mijn corebusiness, maar ik mag ze af en toe ook platspuiten met morfine. Dat is eigenlijk het leukste om te doen.”
Ik keek haar aan en schoot in de lach. “Sorry, ik draaf een beetje door hè?”
Fiona haalde haar schouders op. “Ach je kunt het maar beter kwijt zijn. Maar even iets heel anders; het is heerlijk weer, laten we aan het eind van de dag nog even lekker naar het strand gaan. De rest van de meiden is daar ook, eten we er meteen wat.”
Ik dacht even na en vond dat ik wel wat ontspanning kon gebruiken. “Is goed. Pik je me op?”
Fiona trok een gezicht. “Wanneer krijg je nou dat verdomde rijbewijs eens terug?”
Weer later...
Fiona probeerde haar auto te parkeren, maar dat viel nog niet mee. Ze had de ramen van haar Peugeot 206 helemaal opengedraaid en liet haar vrije hand losjes langs het portier hangen. “Christus, het lijkt het parkeerdek van Ikea wel.”
“Joh, zet hem gewoon ergens neer.”
“Ja en dan een wielklem oplopen, nee dank je.”
“Nou en, Marga werkt bij parkeerbeheer, die heeft sleutels van die dingen.”
“Echt?” vroeg ze met hoog opgetrokken wenkbrauwen en maakte een bocht naar links. “Zal ik hem hier maar laten staan dan?”
We stapten uit en draaiden ons nog een keer om. “Niks meer aan doen”, vond Fiona.
Ik keek vertwijfeld naar haar auto, die overdwars pal tegen een andere aanstond. “Kan die andere er nog uit denk je?”
“Pff, tuurlijk. En trouwens, als wij er maar weer uit kunnen, toch?”
Het was druk op het terras van de strandtent, maar al snel ontwaarden we Myrthe en Marga. Ik belde Cat op haar mobiel om te vragen waar ze uithing. “Ben onderweg schat, bijna bij je. Zet het bier maar vast koud.”
Myrthe schoof twee stoelen naar achteren die eigenlijk bij een ander tafeltje hoorden en we ploften neer. Ze had al een lekker bruin kleurtje opgedaan. “Zeker niet hoeven werken?” vroeg ik en kuste haar op beide wangen.
“Weet je hoe vermoeiend het is om je de hele dag van je rug op je buik te moeten draaien en andersom?”
Marga brulde over het terras aan een van de serveersters haar bestelling door. Haar diepbruine kleur stak af tegen haar felroze bikini. “Nah, ze draait zich gewoon om, ze heeft me toch zeker wel gehoord?”
Ik boog me iets naar haar toe. “Ik denk het wel. Je bent trouwens smerig bruin. Ook de handen niet uit de mouwen hoeven steken zeker?”
“Op het insmeren van Myrthe's rug na, nee.” Haar uitbundige schaterlach galmde over het volle terras.
“Iemand Jorinde gezien?” vroeg Myrthe.
Fiona trok haar T-shirt uit en stak hoofdschuddend een sigaret op. Ze keek naar mij.
“Nee, ze was met een of andere griet de kroeg uitgegaan en ze is ook niet meer bij Cat geweest. Is bij jullie het vuur inmiddels geblust?” vroeg ik aan Myrthe en Marga.
“Min of meer”, zei Marga plagerig. “Dat meisje dat we beiden leuk vonden en met wie Myrthe uiteindelijk naar huis ging was het toch niet helemaal. Wel goed om te weten, dat zij het even geprobeerd heeft, want dan kan ik haar een volgende keer met gerust hart voorbij lopen.”
Terwijl we op onze drankjes wachtten keken we het terras rond.
“Kolere, die heeft een pens, dat je dat durft te laten zien”, zei Fiona.
“Nou wat dacht je van die ene kerel met al dat haar, het komt zelfs uit z’n oren”, deed Marga er nog een schepje bovenop.
“Ik vind dat wel een leuk meisje”, zei Myrthe. Onze ogen volgden haar blik en bleven rusten op een knap meisje van een jaar of achttien, met prachtig golvend lang blond haar.
“Beetje jong hè?” zei ik quasi verwijtend.
“Lekker juist, zo jong en alles nog strak”, pareerde Myrthe.
“Waren we dat zelf nog maar, zuchtte Fiona.
Haar groene ogen rolden bijna uit hun kassen toen ze plots een meisje in het vizier kreeg dat met vaste tred haar kant op kwam. Ze legde verschrikt haar hand op mijn arm. “Oh god Do, moeten we niet hoognodig naar het toilet?”
Ik draaide me naar haar om. “Huh?”
“Dat is het grietje dat ik mijn baarmoeder binnenstebuiten heb voelen keren aan de bar. Red me.” (zie PD 46)
Maar het was al te laat. Jager zag prooi en leek niet van plan die te laten ontsnappen.
Eindelijk weer aan het werk. Na alle hectische toestanden was ik eraan toe mijn gedachten te verzetten en mijn handen weer te laten wapperen. Het was afwachten of Eliza’s moeder haar dochter erbij wilde lappen, want zo voelde het, maar we hadden goede hoop. Ze had het idee niet meteen van tafel geveegd. Het enige wat we nog konden doen was afwachten.
Dedlev, de hoofdredacteur van het tijdschrift waar ik voor werkte, kwam de redactie opgestoven en smeet een print op mijn bureau. Hij miste op een haar na mijn dampende koffiebekertje. “Ook goedemorgen”, zei ik droog.
Hij liep naar het bureau tegenover me en ging zitten, om me vervolgens met zijn priemende blauwe ogen uitdrukkingloos aan te gaan zitten staren. Ik keek zijdelings naar het papiertje en richtte mijn blik toen weer op hem. “Wat is dit?” vroeg ik.
“Heb je dit gelezen?” vroeg hij geïrriteerd en knikte kort naar het witte velletje tekst. Dedlev was een schat. Sociaal, meelevend, met een enorm gevoel voor humor, maar als hoofdredacteur doorgaans een tiran. Zijn pietluttigheid ging soms heel ver en er was maar weinig wat werkelijk zijn goedkeuring kon wegdragen. De kwaliteit bewaken a la, maar oeverloos mierenneuken zoals alleen hij dat kan joeg menigeen met regelmaat de gordijnen in.
“We hebben een deadline, vanmiddag om twaalf uur moet alles binnen zijn en hij keurt het interview af!”
Ik fronste. “En wie is hij dan wel, om dat te kunnen doen?”
“Je ziet toch verdomme wel wie dat is?”
“Ik bedoel, als hij gezegd heeft wat hier staat, wat is dan het argument om dit niet geplaatst te willen zien?”
“Dominique”, en hij zeeg zuchtend in zijn stoel. “Deze man is een ‘goede vrind’ van de directeur.”
“Van Justus? Heeft die vrienden?”
“Daar heeft dit heerschap al contact mee opgenomen en nu is Justus furieus.”
“Op de journalist toch zeker?” Ik nam een slok en zag nog altijd niet waarom Dedlev zich nu zo opwond. Op zo’n eerste dag en ook nog eens na een hersenschudding zat ik niet bepaald te wachten op moeilijk gedoe.
“Hij wil jou spreken,” zei Dedlev en vouwde zijn armen voor zijn borst. Zijn goedkope gladgestreken streepjesoverhemd spande zich om zijn tengere bovenlijf. Met de blonde stekels op zijn kalende schedel en spitse oren aan de zijkant ervan leek hij op een rat. Zo kon hij zich ook gedragen trouwens.
“Mij? Ik heb dit artikel niet geschreven.”
“Jij bent de eindredacteur, jij had het moeten zien.”
“Wat moeten zien? Dit is mijn eerste werkdag sinds een week!” Ik schoot nu ook uit mijn slof.
“Dedo!” Een bulderende orkaan aan decibellen scheerde rakelings langs me heen. Justus had zijn grijze hoofd om de deurpost van zijn kantoor gestoken en keek dreigend onze kant op. Dedo gebruikte hij als samenvoeging van onze namen, ten teken dat hij ons allebei aan zijn bureau wenste, en snel.
We stonden op en liepen zuchtend naar zijn hok. Daar wachtte ons een preek over het artikel dat ik zojuist onder ogen had gekregen en wat kennelijk voor nogal wat beroering had gezorgd. Met de belofte het interview over te laten doen en een plaatsvervangend artikel te plaatsen uit een stapel ‘sprokkels’, konden we gaan.
Ik had het meteen helemaal gehad en trakteerde mezelf op een vroege lunch buiten de deur. Eenmaal in de frisse lucht belde ik Fiona.
“Ben je al op je werk?” vroeg ik en stak om de hoek van de hoofdingang een sigaret op.
“Ben onderweg. Jij?”
Zo te horen zat ze in de auto. “Je klinkt als een marsmannetje.”
Fiona grinnikte. “Nieuwe headset, draadloos. Bleutooth.”
“Bloetoet? Klinkt ellendig in je toetoet. Heb je tijd om te lunchen?”
“Do, het is tien uur, ik heb net m’n ontbijt door m’n darmen geduwd.”
“Koffie dan?”
“Kom maar naar de restauratie van het ziekenhuis, wacht ik daar wel op je. Eerste werkdag niet zo lekker begonnen zo te horen.”
“Je zou je understatements eens in boekvorm uit moeten brengen.”
Later...
Ik had al drie koppen koffie op en Fiona luisterde zwijgend naar mijn tirade over wat er zojuist op mijn werk was gebeurd.
“Je moet je niet zo druk maken”, was haar enige commentaar.
Het maakte me alleen maar bozer. “Jij hebt makkelijk praten, jij flikkert een aspirine bij je patiënten naar binnen, ruimt de poepluiers op en smijt de restjes macrobiotisch veevoer terug de gaarkeuken in.”
“Dat is inderdaad zo’n beetje mijn corebusiness, maar ik mag ze af en toe ook platspuiten met morfine. Dat is eigenlijk het leukste om te doen.”
Ik keek haar aan en schoot in de lach. “Sorry, ik draaf een beetje door hè?”
Fiona haalde haar schouders op. “Ach je kunt het maar beter kwijt zijn. Maar even iets heel anders; het is heerlijk weer, laten we aan het eind van de dag nog even lekker naar het strand gaan. De rest van de meiden is daar ook, eten we er meteen wat.”
Ik dacht even na en vond dat ik wel wat ontspanning kon gebruiken. “Is goed. Pik je me op?”
Fiona trok een gezicht. “Wanneer krijg je nou dat verdomde rijbewijs eens terug?”
Weer later...
Fiona probeerde haar auto te parkeren, maar dat viel nog niet mee. Ze had de ramen van haar Peugeot 206 helemaal opengedraaid en liet haar vrije hand losjes langs het portier hangen. “Christus, het lijkt het parkeerdek van Ikea wel.”
“Joh, zet hem gewoon ergens neer.”
“Ja en dan een wielklem oplopen, nee dank je.”
“Nou en, Marga werkt bij parkeerbeheer, die heeft sleutels van die dingen.”
“Echt?” vroeg ze met hoog opgetrokken wenkbrauwen en maakte een bocht naar links. “Zal ik hem hier maar laten staan dan?”
We stapten uit en draaiden ons nog een keer om. “Niks meer aan doen”, vond Fiona.
Ik keek vertwijfeld naar haar auto, die overdwars pal tegen een andere aanstond. “Kan die andere er nog uit denk je?”
“Pff, tuurlijk. En trouwens, als wij er maar weer uit kunnen, toch?”
Het was druk op het terras van de strandtent, maar al snel ontwaarden we Myrthe en Marga. Ik belde Cat op haar mobiel om te vragen waar ze uithing. “Ben onderweg schat, bijna bij je. Zet het bier maar vast koud.”
Myrthe schoof twee stoelen naar achteren die eigenlijk bij een ander tafeltje hoorden en we ploften neer. Ze had al een lekker bruin kleurtje opgedaan. “Zeker niet hoeven werken?” vroeg ik en kuste haar op beide wangen.
“Weet je hoe vermoeiend het is om je de hele dag van je rug op je buik te moeten draaien en andersom?”
Marga brulde over het terras aan een van de serveersters haar bestelling door. Haar diepbruine kleur stak af tegen haar felroze bikini. “Nah, ze draait zich gewoon om, ze heeft me toch zeker wel gehoord?”
Ik boog me iets naar haar toe. “Ik denk het wel. Je bent trouwens smerig bruin. Ook de handen niet uit de mouwen hoeven steken zeker?”
“Op het insmeren van Myrthe's rug na, nee.” Haar uitbundige schaterlach galmde over het volle terras.
“Iemand Jorinde gezien?” vroeg Myrthe.
Fiona trok haar T-shirt uit en stak hoofdschuddend een sigaret op. Ze keek naar mij.
“Nee, ze was met een of andere griet de kroeg uitgegaan en ze is ook niet meer bij Cat geweest. Is bij jullie het vuur inmiddels geblust?” vroeg ik aan Myrthe en Marga.
“Min of meer”, zei Marga plagerig. “Dat meisje dat we beiden leuk vonden en met wie Myrthe uiteindelijk naar huis ging was het toch niet helemaal. Wel goed om te weten, dat zij het even geprobeerd heeft, want dan kan ik haar een volgende keer met gerust hart voorbij lopen.”
Terwijl we op onze drankjes wachtten keken we het terras rond.
“Kolere, die heeft een pens, dat je dat durft te laten zien”, zei Fiona.
“Nou wat dacht je van die ene kerel met al dat haar, het komt zelfs uit z’n oren”, deed Marga er nog een schepje bovenop.
“Ik vind dat wel een leuk meisje”, zei Myrthe. Onze ogen volgden haar blik en bleven rusten op een knap meisje van een jaar of achttien, met prachtig golvend lang blond haar.
“Beetje jong hè?” zei ik quasi verwijtend.
“Lekker juist, zo jong en alles nog strak”, pareerde Myrthe.
“Waren we dat zelf nog maar, zuchtte Fiona.
Haar groene ogen rolden bijna uit hun kassen toen ze plots een meisje in het vizier kreeg dat met vaste tred haar kant op kwam. Ze legde verschrikt haar hand op mijn arm. “Oh god Do, moeten we niet hoognodig naar het toilet?”
Ik draaide me naar haar om. “Huh?”
“Dat is het grietje dat ik mijn baarmoeder binnenstebuiten heb voelen keren aan de bar. Red me.” (zie PD 46)
Maar het was al te laat. Jager zag prooi en leek niet van plan die te laten ontsnappen.