Paringsdans
Dominique | Lesbisch Feuilleton | Aflevering 47
Gepubliceerd op: 16 augustus 2005
Na een nachtje stappen krijgt Dominique vervelend nieuws over Eliza. Fiona heeft weer eens een scharrel opgedoken en lijkt Brenda alweer te zijn vergeten. Kater of niet, de volgende dag moeten de meiden toch echt naar het bureau om opnieuw een verklaring af te leggen. Het ziet er somber voor ze uit. Dan komt Fiona met een idee...
Hoewel ik er huizenhoog tegenop zag, wist ik dat het moest. Ik liep achter Cat aan het politiebureau binnen en trok Fiona met me mee, die met nog halfdichte ogen geenszins in staat was zichzelf een drempel over te tillen. De dienstdoende agent achter de balie knikte ons vriendelijk toe en zei dat rechercheur Brenda Steenhuizen er elk moment aan kon komen. We namen plaats op een rij stoelen links in de hoek van de verder kale hal.
Fiona zakte ogenblikkelijk onderuit. Ik hield Cat’s hand stevig vast. De zenuwen gierden door mijn lijf. Cat glimlachte lief en streelde zachtjes door mijn lange haren. “Het komt echt wel goed schat. Ze kunnen Eliza hier misschien niet vasthouden, maar ze moet toch zeker terug naar de kliniek.”
Ik had er zo langzamerhand een hard hoofd in. “Kweetet niet hoor, ik begrijp achteraf al helemaal niet dat ze haar ooit met proefverlof hebben gestuurd.”
“Zal wel een of ander administratief foutje geweest zijn”, geeuwde Fiona ongegeneerd, “zo’n bureaucratische wegtrekker.”
Brenda kwam glimlachend door de glazen deur gelopen. Haar donkerblonde haar zat in een staart bijeengebonden en de bovenste knoopjes van haar katoenen bloesje stonden nonchalant open.
Als ik Brenda zag kreeg ik altijd het idee dat zich weliswaar had aangekleed, maar nooit in de spiegel had gecheckt of alles wel op elkaar was afgestemd. Het leek haar ook niet te kunnen boeien.
Ze begroette ons met een kort knikje. Haar gezicht leefde op toen ze Fiona zag. Die hees zich langzaam op en ontweek Brenda’s blik. We volgden de rechercheur naar haar kamertje aan het eind van de smalle gang. Onderweg trok ik Fiona dichter naar me toe. “Had je je niet even kunnen douchen of zo, of tenminste schone kleren aan kunnen trekken?” siste ik.
Fiona bekeek zichzelf vluchtig. Ze had nog altijd hetzelfde bleke spijkerrokje en veel te krappe zwarte bloesje aan, met daaronder hoge zwartleren laarzen. Ze rook naar verschraald bier en haar scharrel van de afgelopen nacht. Haar make-up zat overal behalve waar ze het de vorige avond had aangebracht.
“Alsof ik daar tijd voor had. Had je dat kreng trouwens niet gewoon van me af kunnen rukken? Op een gegeven moment zat ze volgens mij zelfs in m’n baarmoeder.”
Brenda gebaarde ons te gaan zitten. We namen plaats in haar kantoortje op wankele blauwe klapstoelen en gingen gretig in op haar koffieaanbod. Toen ze de deur weer uitgelopen was boog Cat zich naar ons toe. “Schatten, doe het hele verhaal van A tot Z nog eens uit de doeken, hoe vermoeiend het ook is en hoe irrelevant sommige stukken ook lijken, alles kan helpen om Eliza toch ergens op te pakken. Over Irma hoeven we ons, denk ik, geen zorgen te maken, die heeft overduidelijk samengewerkt met haar moeder, maar Eliza is bijna nergens zelf bijgeweest.”
“In mijn huis toch?” wierp ik tegen.
“Ja, onder dwang van Irma, of dat maakt ze ervan, maar daar kunnen we niets tegen inbrengen.”
Ik staarde naar de triplextafel voor me en zuchtte diep.
Brenda kwam terug met een kan koffie en een stel mokken. “Zo, eerst maar eens een beetje cafeïne”, zei ze terwijl ze schuin naar Fiona keek en knipoogde naar mij en Cat. Ze rolde op haar bureaustoel naar voren. De deur zwaaide open en Snorremans kwam binnen. Zijn logge lijf paste nauwelijks in zijn blauwe bloes en broek. De enorme snor leek door een overmoedige visagist haastig op zijn gezicht te zijn geplakt. “Goedemorgen dames”, zijn zware maar vriendelijke stem galmde door het kamertje. Hij smeet een notitieblok op tafel en schoof een stoel naar achteren. “Laten we maar weer eens bij het begin beginnen.”
Fiona en ik rakelden het hele verhaal nog eens op. Vanaf het moment dat we Eliza leerden kennen in de Efteling tot aan de worsteling bij mij thuis, waarbij ik een hersenschudding opliep en in het ziekenhuis belandde.
“En de baby natuurlijk”, besloot ik. “Irma’s zoontje, dat min of meer kind van de rekening is geworden.”
“En de inbraak bij Fiona”, vulde Cat nog aan.
Snorremans schreef zich een tennisarm en Brenda knikte zo nu en dan alleen maar. Toen we uitgeraasd waren keek hij op. “We hebben Irma en haar moeder natuurlijk verhoord. Het enige bruikbare voor ons tot nu toe is de inbraak bij u thuis”, hij keek vluchtig naar Fiona, “en huisvredebreuk in uw huis”, waarna hij zijn blik verplaatste naar mij.
“En dat ze het ziekenhuis in heeft geslagen”, hielp ik hem maar weer eens herinneren.
Hij knikte. “Dat tellen we er ook bij op, maar stalken is lastig aan te pakken. Met die SMS-jes kunnen we heel weinig. De baby is Irma’s kind en dat Eliza die bij zich had, met toestemming van Irma, is geen strafbaar feit. Natuurlijk hebben we de kinderbescherming ingeschakeld, die kunnen zorgen dat de zuigeling een fatsoenlijk thuis krijgt nu blijkt dat het kind dus ook niet bij de eigenlijke opa en oma verblijft. Maar hoe naar ik het ook vind om te zeggen, we kunnen haar op dit moment, zoals de zaken er nu voor staan, niet langer vasthouden.”
Hij had me evengoed een stomp in m’n maag kunnen geven. Fiona pufte alle lucht van haar ingehouden adem tussen haar lippen door naar buiten. Ze zag er nu extra verslagen uit.
Cat verschoof iets op haar stoel. “Maar, die kliniek waar ze beide uitkomen, is het niet verstandig ze daar weer te laten opnemen?”
Snorremans knikte. “We hebben contact gehad met hun therapeuten en wat Irma betreft is het zeker noodzakelijk zo snel mogelijk weer behandeld te kunnen worden, dus dat zal ook gebeuren.”
Ik kneep mijn ogen samen en keek hem aan. “En die andere flapdrol?”
Brenda lachte besmuikt. Snorremans trok even aan zijn onderlip. “Dat is wat lastiger. Het feit dat ze geprobeerd heeft te zorgen voor Irma’s baby pleit voor haar. Haar verklaring is dat ze het mannetje onmogelijk aan zijn lot kon overlaten en Irma is niet in staat zelf voor haar kind te zorgen. Eliza heeft zeker behandeling nodig, maar een volledig interne opname zit er op dit moment niet in. Ze heeft getoond over een groot verantwoordelijkheidsgevoel te beschikken...”
“Groot verantwoordelijkheidsgevoel?” riep ik stomverbaasd uit.
Cat legde haar hand op mijn arm, maar die schudde ik van me af en stond op. “Ze hebben maandenlang ons leven overhoop kunnen gooien met hun psychopathische gedrag en nu komen ze er gewoon mee weg?”
Brenda probeerde me te kalmeren. “Dominique, we doen er alles aan Eliza bij je uit de buurt te houden.”
“Oh ja? Hoe dan? Welke garantie kun je me daarvoor geven?” Ik was in staat haar aan te vliegen.
Cat stond nu ook op en richtte zich met een stalen gezicht tot Brenda. “Ik wil haar in geen geval ooit nog in onze buurt zien.”
“Dat hoeft ook niet. Ze krijgt een zeker weten een straatverbod. De eerste beste keer dat ze in overtreding is gaat ze regelrecht terug naar de kliniek.”
Fiona had al die tijd niets gezegd en hing nog steeds onderuitgezakt op haar stoel. Plots veerde ze op en haar groene ogen die zo mat hadden gestaan kregen de vertrouwde twinkeling terug. “En wat nou als ze de baby zou hebben ontvoerd?”
We keken haar uitdrukkingloos aan.
“Haar moeder heeft het kind zelf aan haar meegegeven.”
“Ja, maar wat nou als dat niet zo is, dan heeft ze toch wel een strafbaar feit gepleegd? De baby viel onder toezicht van haar ouders, die wisten niet beter dan dat het om hun kleinkind ging. Officieel hebben zij de voogdij. Als Eliza’s moeder de baby niet vrijwillig heeft meegegeven, is het kind technisch gezien dus door Eliza ontvoerd...”
“En dus kan ze daarvoor worden aangeklaagd”, maakte ik haar zin af.
Ik keek haar aan en vond haar briljant.
“Het spijt me dames”, verbrak Snorremans de stilte, “maar dat is niet zoals het verhaal nu bij ons ligt.”
Cat leek ook te begrijpen welke kant we op wilden. Ze deed een stap naar voren en vroeg aan Brenda: “Hebben jullie al een verklaring van Eliza’s ouders?”
Brenda schudde haar hoofd. “Nog niet, we wilden jullie na de verhoren als eerste spreken.”
Cat wierp ons een veelbetekenende blik toe en zeeg kalmpjes in haar stoel.
Snorremans wist zich even geen houding te geven en bladerde nog eens door zijn notities. “Eh, nou dan hebben we het voor nu wel denk ik?” Hij keek vertwijfeld naar Brenda.
Ze wisselde een blik met ons en hield haar hoofd iets schuin. “Ik denk het wel.”
Snorremans verliet daarop de kamer en wij gingen weer zitten. Het duurde even voor er iets werd gezegd. Brenda bevochtigde haar lippen en zei met diep gefronst voorhoofd: “Luister, ik weet wat jullie nu gaan doen en ik kan jullie niet tegenhouden. Alleen een ding: zorg dat je haar zo snel mogelijk spreekt en dat ze hoe dan ook bij haar verhaal blijft. Mijn collega’s kunnen knap lastig zijn.”
Ik keek naar Fiona en van Fiona naar Cat.
“Het blijft wel haar dochter”, zei ik onzeker. “Ik weet niet of ze hieraan mee wil doen.”
“Ja”, zei Cat, “maar toch wil ik er nog wel een laatste rit naar Breda aan wagen...”
Hoewel ik er huizenhoog tegenop zag, wist ik dat het moest. Ik liep achter Cat aan het politiebureau binnen en trok Fiona met me mee, die met nog halfdichte ogen geenszins in staat was zichzelf een drempel over te tillen. De dienstdoende agent achter de balie knikte ons vriendelijk toe en zei dat rechercheur Brenda Steenhuizen er elk moment aan kon komen. We namen plaats op een rij stoelen links in de hoek van de verder kale hal.
Fiona zakte ogenblikkelijk onderuit. Ik hield Cat’s hand stevig vast. De zenuwen gierden door mijn lijf. Cat glimlachte lief en streelde zachtjes door mijn lange haren. “Het komt echt wel goed schat. Ze kunnen Eliza hier misschien niet vasthouden, maar ze moet toch zeker terug naar de kliniek.”
Ik had er zo langzamerhand een hard hoofd in. “Kweetet niet hoor, ik begrijp achteraf al helemaal niet dat ze haar ooit met proefverlof hebben gestuurd.”
“Zal wel een of ander administratief foutje geweest zijn”, geeuwde Fiona ongegeneerd, “zo’n bureaucratische wegtrekker.”
Brenda kwam glimlachend door de glazen deur gelopen. Haar donkerblonde haar zat in een staart bijeengebonden en de bovenste knoopjes van haar katoenen bloesje stonden nonchalant open.
Als ik Brenda zag kreeg ik altijd het idee dat zich weliswaar had aangekleed, maar nooit in de spiegel had gecheckt of alles wel op elkaar was afgestemd. Het leek haar ook niet te kunnen boeien.
Ze begroette ons met een kort knikje. Haar gezicht leefde op toen ze Fiona zag. Die hees zich langzaam op en ontweek Brenda’s blik. We volgden de rechercheur naar haar kamertje aan het eind van de smalle gang. Onderweg trok ik Fiona dichter naar me toe. “Had je je niet even kunnen douchen of zo, of tenminste schone kleren aan kunnen trekken?” siste ik.
Fiona bekeek zichzelf vluchtig. Ze had nog altijd hetzelfde bleke spijkerrokje en veel te krappe zwarte bloesje aan, met daaronder hoge zwartleren laarzen. Ze rook naar verschraald bier en haar scharrel van de afgelopen nacht. Haar make-up zat overal behalve waar ze het de vorige avond had aangebracht.
“Alsof ik daar tijd voor had. Had je dat kreng trouwens niet gewoon van me af kunnen rukken? Op een gegeven moment zat ze volgens mij zelfs in m’n baarmoeder.”
Brenda gebaarde ons te gaan zitten. We namen plaats in haar kantoortje op wankele blauwe klapstoelen en gingen gretig in op haar koffieaanbod. Toen ze de deur weer uitgelopen was boog Cat zich naar ons toe. “Schatten, doe het hele verhaal van A tot Z nog eens uit de doeken, hoe vermoeiend het ook is en hoe irrelevant sommige stukken ook lijken, alles kan helpen om Eliza toch ergens op te pakken. Over Irma hoeven we ons, denk ik, geen zorgen te maken, die heeft overduidelijk samengewerkt met haar moeder, maar Eliza is bijna nergens zelf bijgeweest.”
“In mijn huis toch?” wierp ik tegen.
“Ja, onder dwang van Irma, of dat maakt ze ervan, maar daar kunnen we niets tegen inbrengen.”
Ik staarde naar de triplextafel voor me en zuchtte diep.
Brenda kwam terug met een kan koffie en een stel mokken. “Zo, eerst maar eens een beetje cafeïne”, zei ze terwijl ze schuin naar Fiona keek en knipoogde naar mij en Cat. Ze rolde op haar bureaustoel naar voren. De deur zwaaide open en Snorremans kwam binnen. Zijn logge lijf paste nauwelijks in zijn blauwe bloes en broek. De enorme snor leek door een overmoedige visagist haastig op zijn gezicht te zijn geplakt. “Goedemorgen dames”, zijn zware maar vriendelijke stem galmde door het kamertje. Hij smeet een notitieblok op tafel en schoof een stoel naar achteren. “Laten we maar weer eens bij het begin beginnen.”
Fiona en ik rakelden het hele verhaal nog eens op. Vanaf het moment dat we Eliza leerden kennen in de Efteling tot aan de worsteling bij mij thuis, waarbij ik een hersenschudding opliep en in het ziekenhuis belandde.
“En de baby natuurlijk”, besloot ik. “Irma’s zoontje, dat min of meer kind van de rekening is geworden.”
“En de inbraak bij Fiona”, vulde Cat nog aan.
Snorremans schreef zich een tennisarm en Brenda knikte zo nu en dan alleen maar. Toen we uitgeraasd waren keek hij op. “We hebben Irma en haar moeder natuurlijk verhoord. Het enige bruikbare voor ons tot nu toe is de inbraak bij u thuis”, hij keek vluchtig naar Fiona, “en huisvredebreuk in uw huis”, waarna hij zijn blik verplaatste naar mij.
“En dat ze het ziekenhuis in heeft geslagen”, hielp ik hem maar weer eens herinneren.
Hij knikte. “Dat tellen we er ook bij op, maar stalken is lastig aan te pakken. Met die SMS-jes kunnen we heel weinig. De baby is Irma’s kind en dat Eliza die bij zich had, met toestemming van Irma, is geen strafbaar feit. Natuurlijk hebben we de kinderbescherming ingeschakeld, die kunnen zorgen dat de zuigeling een fatsoenlijk thuis krijgt nu blijkt dat het kind dus ook niet bij de eigenlijke opa en oma verblijft. Maar hoe naar ik het ook vind om te zeggen, we kunnen haar op dit moment, zoals de zaken er nu voor staan, niet langer vasthouden.”
Hij had me evengoed een stomp in m’n maag kunnen geven. Fiona pufte alle lucht van haar ingehouden adem tussen haar lippen door naar buiten. Ze zag er nu extra verslagen uit.
Cat verschoof iets op haar stoel. “Maar, die kliniek waar ze beide uitkomen, is het niet verstandig ze daar weer te laten opnemen?”
Snorremans knikte. “We hebben contact gehad met hun therapeuten en wat Irma betreft is het zeker noodzakelijk zo snel mogelijk weer behandeld te kunnen worden, dus dat zal ook gebeuren.”
Ik kneep mijn ogen samen en keek hem aan. “En die andere flapdrol?”
Brenda lachte besmuikt. Snorremans trok even aan zijn onderlip. “Dat is wat lastiger. Het feit dat ze geprobeerd heeft te zorgen voor Irma’s baby pleit voor haar. Haar verklaring is dat ze het mannetje onmogelijk aan zijn lot kon overlaten en Irma is niet in staat zelf voor haar kind te zorgen. Eliza heeft zeker behandeling nodig, maar een volledig interne opname zit er op dit moment niet in. Ze heeft getoond over een groot verantwoordelijkheidsgevoel te beschikken...”
“Groot verantwoordelijkheidsgevoel?” riep ik stomverbaasd uit.
Cat legde haar hand op mijn arm, maar die schudde ik van me af en stond op. “Ze hebben maandenlang ons leven overhoop kunnen gooien met hun psychopathische gedrag en nu komen ze er gewoon mee weg?”
Brenda probeerde me te kalmeren. “Dominique, we doen er alles aan Eliza bij je uit de buurt te houden.”
“Oh ja? Hoe dan? Welke garantie kun je me daarvoor geven?” Ik was in staat haar aan te vliegen.
Cat stond nu ook op en richtte zich met een stalen gezicht tot Brenda. “Ik wil haar in geen geval ooit nog in onze buurt zien.”
“Dat hoeft ook niet. Ze krijgt een zeker weten een straatverbod. De eerste beste keer dat ze in overtreding is gaat ze regelrecht terug naar de kliniek.”
Fiona had al die tijd niets gezegd en hing nog steeds onderuitgezakt op haar stoel. Plots veerde ze op en haar groene ogen die zo mat hadden gestaan kregen de vertrouwde twinkeling terug. “En wat nou als ze de baby zou hebben ontvoerd?”
We keken haar uitdrukkingloos aan.
“Haar moeder heeft het kind zelf aan haar meegegeven.”
“Ja, maar wat nou als dat niet zo is, dan heeft ze toch wel een strafbaar feit gepleegd? De baby viel onder toezicht van haar ouders, die wisten niet beter dan dat het om hun kleinkind ging. Officieel hebben zij de voogdij. Als Eliza’s moeder de baby niet vrijwillig heeft meegegeven, is het kind technisch gezien dus door Eliza ontvoerd...”
“En dus kan ze daarvoor worden aangeklaagd”, maakte ik haar zin af.
Ik keek haar aan en vond haar briljant.
“Het spijt me dames”, verbrak Snorremans de stilte, “maar dat is niet zoals het verhaal nu bij ons ligt.”
Cat leek ook te begrijpen welke kant we op wilden. Ze deed een stap naar voren en vroeg aan Brenda: “Hebben jullie al een verklaring van Eliza’s ouders?”
Brenda schudde haar hoofd. “Nog niet, we wilden jullie na de verhoren als eerste spreken.”
Cat wierp ons een veelbetekenende blik toe en zeeg kalmpjes in haar stoel.
Snorremans wist zich even geen houding te geven en bladerde nog eens door zijn notities. “Eh, nou dan hebben we het voor nu wel denk ik?” Hij keek vertwijfeld naar Brenda.
Ze wisselde een blik met ons en hield haar hoofd iets schuin. “Ik denk het wel.”
Snorremans verliet daarop de kamer en wij gingen weer zitten. Het duurde even voor er iets werd gezegd. Brenda bevochtigde haar lippen en zei met diep gefronst voorhoofd: “Luister, ik weet wat jullie nu gaan doen en ik kan jullie niet tegenhouden. Alleen een ding: zorg dat je haar zo snel mogelijk spreekt en dat ze hoe dan ook bij haar verhaal blijft. Mijn collega’s kunnen knap lastig zijn.”
Ik keek naar Fiona en van Fiona naar Cat.
“Het blijft wel haar dochter”, zei ik onzeker. “Ik weet niet of ze hieraan mee wil doen.”
“Ja”, zei Cat, “maar toch wil ik er nog wel een laatste rit naar Breda aan wagen...”