Paringsdans

Dominique | Lesbisch Feuilleton | Aflevering 46

Gepubliceerd op: 08 augustus 2005

Paringsdans
Een avondje stappen mondt uit in zowel teleurstelling als hosanna. Do weet zich te beheersen en laat een one night stand aan zich voorbij gaan. Dat is maar goed ook, want nog geen drie seconden later staat Cat voor haar neus. Die heeft niet zulk hoopgevend nieuws...
 
De muziek leek vanuit gedempte boxen te komen. Het geluid van gelach en gekakel vermengde zich tot een brei van klanken waar voor mij geen touw meer aan vast te knopen was. Mijn oogleden waren zwaar geworden en ontnamen me deels het zicht. Alles was wazig en de drank in mijn hoofd benevelde mijn tred.
 
Ik zag Fiona aan de bar, heftig vrijend met een fragiel blond meisje dat haar handen vrijmoedig onder Fiona’s rokje liet dwalen. Aan de andere kant versmolt Jorinde haar lippen met die van een andere vrouw en leek Tamar ver naar de achtergrond verbannen. Althans, voor nu.
 
Marga hing met twee biertjes in haar hand geklemd tegen een pilaar links van de bar. Haar halflange blonde krullen hingen in slierten over haar smalle schouders. Haar spijkerbroek zat onder de biervlekken, als stille getuigen van haar onenigheid met Myrthe, over een meisje dat ze beide leuk vonden.
 
Haar zwarte bloes had meer knoopjes open dan uitdagend was. Ze was zich er kennelijk niet van bewust dat haar BH volledig zichtbaar was, evenals de piercing in haar navel.
 
Ik draaide me langzaam om en zocht naar Myrthe, maar die was in geen velden of wegen te bekennen. Natuurlijk niet, die had gescoord en lag nu haar verovering te bevredigen. Ik nipte van mijn Campari. Niet dat het me nog zo smaakte, meer uit gewoonte. Het moest toch op, weggooien was zonde volgens Fiona. ‘Hoe dronken je ook bent, Campari gooi je nooit weg. Desnoods neem je het mee naar huis.’
 
Ze had eens de daad bij het woord gevoegd. We zaten een paar jaar geleden in een kroeg ergens in Limburg, waar we destijds op vakantie waren. De tent ging sluiten, maar Fiona en ik waren nog lang niet door de zoveelste fles Campari heen. Fiona wilde de fles, waarvoor we tenslotte hadden betaald, dan maar meenemen. De cafébaas vond dat geen goed idee en wilde de fles houden. De drank konden we meekrijgen, maar de fles wilde hij persé houden. Fiona had toen de inhoud in een plastuit gegoten en mee naar buiten genomen. Triomfantelijk om haar eigen vindingrijkheid nam ze een slok en bood mij er ook een aan. Ik trok een vies gezicht schudde mijn hoofd. Kennelijk was Fiona in haar delirium vergeten dat ze diezelfde plastuit eerder op de avond had gebruikt, toen we geen tankstation konden vinden en ze het niet meer hield, waarna ik aan de kant van de weg stopte zodat zij haar blaas kon legen.
 
Ik sloeg mijn ogen op en zag haar weer staan. Ze lachte lief. Ik lachte terug.
Wat was ze mooi. Haar lange lichtbruine haren losjes langs haar gezicht, de heldere ogen met de zachte blik, haar slanke lijf nonchalant tegen de wand geleund. Het strakke oranjekatoenen truitje omsloot haar volle borsten maar net en de evenzo strakke spijkerbroek omvatte de rest van haar rondingen. Wat zijn vrouwen toch verschrikkelijk mooi. Ik wilde me losweken van die doordringende blik, maar het lukte niet. Met het glas nog aan mijn lippen bleef ik haar aanstaren. Ik moest ertegen vechten van mezelf. Me niet meelaten slepen en mijn kop erbij houden.
 
Ik draaide me om en keek recht in het gezicht van Cat.
 
“Ik kan je blijkbaar niet eens alleen op stap laten gaan, hè?” Ze keek me strak aan, alle mimiek was uit haar knappe gezicht verdwenen. Ik was te dronken om in opstand te komen. Of om nog meer ruzie met haar te maken, daar was het de plek ook niet voor. Ruzie moet je thuis maken, had je ook veel meer om mee te gooien en je auto stond in de buurt als je kwaad weg wilde rijden. De pest was alleen dat ik helemaal niet mócht rijden, ik was nog altijd mijn rijbewijs kwijt en dus maakte het eigenlijk geen drol uit waar we ruzie stonden te maken.
 
Cat voerde me mee naar de deur. “We gaan”, was haar overbodige mededeling. Ik liet me meevoeren en hoopte met alle naïviteit die ik in me kon vinden dat alles zich vanzelf op zou lossen.
 
 
De volgende dag...
 
Het licht dat in smalle streepjes door de kieren van Cat’s rolgordijnen kwam streelde mijn wimpers en irriteerde mijn pupillen. Ik draaide me om en verborg mijn hoofd onder het dekbed. Een paar tellen later zat ik rechtop in bed en keek verward de kamer rond. Dit was de slaapkamer van Cat. Ik was dus niet in mijn eigen huis. Dat betekende dat Cat me had vergeven, of geen zin had om helemaal naar mijn huis te rijden om onze ruzie te beslechten. Ik sloeg het dekbed opzij en stapte de overloop op. Een aangename walm van versgezette koffie kietelde mijn neushaartjes en ik snoof de geur gretig op.
 
Ik liep langzaam naar beneden en trok onderweg snel een T-shirt van de reling. Cat hing haar kleding altijd uit voor het de was inging. ‘Even uitwaaien, voor de frisheid’.
Ze stond in de keuken een ontbijt te maken. Haar lange gespierde benen waren in een kort broekje gestoken. Daarop droeg ze een wit katoenen hemdje dat eigenlijk te klein was, waardoor haar mooie borsten extra werden geaccentueerd. Ik bleef staan op de scheiding van woonkamer naar keuken en keek naar haar. Ik voelde mijn hoofd bonken en dacht even terug aan de afgelopen nacht.
 
Ik was benieuwd hoe Fiona thuis was gekomen, áls ze al thuis was gekomen.
 
Cat draaide zich om en knipoogde. Haar boosheid leek verdwenen en ik voelde hoe mijn lijf zich iets meer ontspande. “Ben je nog boos?” vroeg ik onzeker. Ik veegde een paar lange donkere haren uit mijn gezicht en leunde tegen de koelkast.
Cat perste sinasappels uit. “Nee”, zei ze zacht.
Ik keek naar haar armen terwijl ze perste. Het opzwellen van de spieren bij elke beweging wond me op. Haar lange slanke, maar krachtige armen waren mooi gevormd en bedekt met hele kleine zachte blonde haartjes. Ik voelde me warm worden van binnen en kruiste mijn armen voor mijn borst.
 
“Hoe voel je je?” vroeg Cat en schonk de sinaasappelsap in twee glazen.
“Beetje eh, schommelig. Bonkend hoofd ook wel.”
“Hm, je hebt een kater dus”, concludeerde Cat. Ze liep naar me toe en gaf me het glas vitaminen. “Drink dit eerst maar even op, je hebt het nodig.”
Ze stond dichtbij me, raakte me net niet aan en bleef naar me kijken met haar onweerstaanbaar warme grijze ogen. Toen ik het glas leeg had, nam ze die van me over en zette het op ’t aanrecht. Ik volgde haar geamuseerd met mijn ogen.
 
“Brenda heeft gebeld”, verbrak Cat de stilte.
Ik fronste. “Brenda?”
“Ja”, zei Cat. “Vanochtend vroeg. Ze kreeg Fiona niet te pakken en dus belde ze naar jouw mobiel.”
“Ik geloof dat Fiona niet zo heel erg aan Brenda gedacht heeft de afgelopen nacht.”
Cat grinnikte kort. “Het zag er eerder uit alsof ze nog nooit van Brenda had gehoord.”
 
We lachten, maar Cat's gezicht versomberde snel. “Ik heb alleen niet zulk glorieus nieuws.”
 
Mijn lach verdween als sneeuw voor de zon en ergens diep van binnen voelde ik iets borrelen. “Je gaat me toch niet vertellen dat die achterlijke psychopaten weer loslopen hè?”
Cat schudde haar hoofd. “Nee, maar jij en Fiona moeten vandaag naar het bureau voor een verklaring.”
“Alweer?” vroeg ik vermoeid. “We hebben alles al verteld.”
“Wij moeten ook, alleen dan kunnen ze Irma en haar moeder langer vasthouden.”
 
“Verdomme, dat gezeik ook. Ze hebben alles, ze weten precies waarom ze vastzitten in zo’n inrichting, kunnen alles....” Ik hield abrupt mijn mond en keek Cat geschrokken aan. “Wat zei je eigenlijk, Irma en haar moeder?”
Cat, duidelijk niet op haar gemak, bevochtigde haar lippen, maar zei niets.

Ik deed een stap in haar richting. “Je gaat me toch niet vertellen dat dat kreng de dans ontspringt, hè?”

Cat wilde mijn armen vastpakken, maar ik schudde haar handen van me af en keek haar vol ongeloof aan. Ze zuchtte diep. “Ze kunnen Eliza niet vasthouden, omdat ze geen strafbare feiten heeft gepleegd. Ze moeten haar waarschijnlijk laten gaan.”