Paringsdans
Dominique | Lesbisch Feuilleton | Aflevering 37
Gepubliceerd op: 05 juni 2005
Even bijpraten: terwijl de meiden op pad waren om uit te zoeken wie nu precies wie stalkt, wiens kind van wie is en wie nu ook alweer uit jaloezie wat deed, werd Fiona's huis compleet leeggehaald.
Terwijl de meiden in het lege huis naar adem stonden te happen, kwam Eliza opeens binnen. Eliza? Inderdaad: het suikerspinmeisje, de verdachte scharrel van Fiona, die opeens een stuk minder verdacht bleek en meteen even uitlegde van wie het kind nu precies was (zie Paringsdans 36 en eerder).
Do en Fiona begrijpen er uiteindelijk weinig meer van en besluiten er eens even goed over na te gaan denken onder het genot van een drankje (of wat).
Fiona en Eliza zaten nu al vijf dagen in mijn huis. Met baby ook nog eens een keer. We moesten wel aangifte van inbraak doen bij de politie, alleen was daar eigenlijk geen sprake van. De deur was netjes op slot, niets geforceerd. Er was nog geen verfsplinter gesneuveld.
Toon maar eens aan dat je in een vlaag van verstandsverbijstering niet zelf je complete interieur bij het grofvuil hebt gezet. De politie zou een onderzoek instellen. “Maar verwacht er niet te veel van mevrouw. Als we, los van de uwe en eventueel uw vriendinnen, geen vingerafdrukken vinden wordt het verdomd lastig.”
Ik had Fiona om de haverklap aan de telefoon, omdat ze gek werd van stinkende poepluiers en de weeïge geur van opgewarmde poedermelk. “Do, als we nu niet de kroeg induiken word ik knettergek.”
In een grijs verleden, of nou ja, eigenlijk na die keer dat we met een stuk in onze kraag van de snelweg werden geplukt, had ik me voorgenomen in elk geval doordeweeks niet meer zoveel te drinken. Maar Fiona’s smeekbede ging door merg en been. Daarbij kon ik zelf na de laatste ontwikkelingen ook wel een borrel gebruiken. En dus hingen we in onze stamkroeg aan de rand van de stad aan de bar, met in de ene hand een peuk en in de andere een glas Campari. Het was rustig.
Buiten deed de zon haar best om vlak voor het vallen van de avond het wolkendek alsnog uiteen te rijten.
“Eigenlijk jammer dat ik destijds al mijn spullen bij Wehkamp heb gekocht”, zuchtte Fiona en nam nog een slok.
Ik nam een trek van mijn sigaret en keek haar van opzij aan. “Hoezo?”
“Nou, als het een of andere designwinkel was geweest, had ik nu meer op kunnen geven bij de verzekering.”
“Mijn god, je bent nog geen week je spullen kwijt en in gedachte al bezig de verzekering te tillen.”
Ik blies mijn rook in de lichtbundel van de barverlichting en keek een poosje naar de grijze kringeldamp. “Trouwens, Wehkamp heeft ook design volgens mij.”
Fiona draaide zich diepfronsend naar me om. “Natuurlijk niet. Wehkamp is er voor het klootjesvolk, dat zich alleen maar klootjesmeubels kan veroorloven.”
Ze hief haar glas. “Dit bijvoorbeeld, is Campari, dat is design. Blue CuraÇao daarentegen, is de Wehkamp onder de likeuren.”
De nevel sloeg toe in mijn hoofd. “Weet je wat pas echt Wehkamp is? Schoenen van de markt.”
Fiona pufte haar sigarettenrook in mijn gezicht. “Wat is dat nu weer voor gelul. Ik heb hele gave schoenen op de markt gekocht laatst.”
“Ja, maar dat was op de Albert Cuyp en dat is dan wel weer design. Die markt bij ons op het plein in de stad is toch echt heel erg Wehkamp.”
Fiona knikte instemmend. “Ja, volgens mij komen hun spullen ook uit dezelfde container. Misschien liggen die van mij er inmiddels ook weer.” Ze nam nog een slok. “Ik ben eigenlijk blij dat ik er vanaf ben.”
We lieten ons opnieuw inschenken. Het blonde meisje achter de bar glimlachte vriendelijk en keek ons even met een schuin hoofd aan. “Gaat het wel goed dames?”
Fiona streek een rode krul achter haar oor. “Prima, ik heb me in tijden niet zo goed gevoeld, wat jij Do?”
Ik knikte heftig. “Helemaal top.” Ik dronk mijn glas in een teug leeg en zette het met een klap terug op de bar. “Doe mij er nog maar een.”
Het blonde ding lachte een witte rij tanden bloot en deed wat haar gevraagd werd.
Toen ze zich weer had omgedraaid, schoof Fiona dichter naar me toe. “Best wel een lekker ding, heb jij haar hier eerder gezien?”
Ik schudde mijn hoofd. “Hou jij je nou maar bij je eigen blonde stoot, heb je je handen meer dan vol aan.” Ik stak nog maar eens een sigaret op. “Nu we het er toch over hebben, hoe is het eigenlijk met jullie?”
Fiona haalde haar schouders op. “We leven een soort van langs elkaar heen. Ze blijft bij haar verhaal en dat jankende mormel komt me de strot uit.”
“Fioon”, zei ik op bestraffende toon, “Het is een baby. Die weet nog helemaal niks. Als ik me bedenk hoe dat kereltje op moeten groeien springen de tranen me in de ogen. Het is toch triest?”
We dronken stevig door en leunden zwaar op het houten blad van de bar. Om ons heen hadden zich wat studenten verzameld en de muziek nam in volume toe, waardoor we steeds harder gingen praten. Soms kwamen we er zelfs bovenuit en draaiden verschillende hoofden met verbaasde blikken onze kant op.
“Ik wil dat ze terug gaat naar haar ouders”, zei Fiona met dubbele tong.
“Dat doet ze nooit”, zei ik resoluut.
“Ik wil gewoon weer uitgaan en na afloop een lekker wijf mee naar huis nemen om mee te neuken.”
“Fioon!” wees ik haar op harde toon terecht. “Vrouwen neuken niet, vrouwen vrijen.”
“Mijn god, wat is dat nu weer voor Wehkampterm? Neuken staat toch voor gemeenschap hebben? Wat zeg ik dan verkeerd?”
“Het klinkt zo grof. Dat kan toch ook anders?”
“Nee. Ik wil neuken.”
De bodem van het glas kwam alweer in zicht en Fiona wenkte het barmeisje. “Zet die fles eens hier, ik krijg lamme stembanden van het bestellen.” Ze greep mijn glas. “Jij nog?”, vroeg ze zonder op antwoord te wachten en goot ongecontroleerd een plens Campari tot aan de rand. “Hebben wij het al eens met elkaar gedaan eigenlijk?” vroeg ze zonder me aan te kijken.
“Je bent dronken”, zei ik lijzig.
“Nee jij kijkt lekker uit je ogen. Wanneer hebben wij het nou met elkaar gedaan?”
“Nooit en dat blijft ook zo.”
“Vind je me niet aantrekkelijk soms?”
“Ik vind je een beetje eh, niet mijn type.”
Ze fronste. “Wat is dat nu weer. We kennen elkaar al meer dan twintig jaar, natuurlijk ben ik je type.”
“Niet om het mee te doen.”
“Maar je houdt toch van me? Dan kunnen we het best samen doen. Laten we naar mijn huis gaan, daar hebben we nu lekker de ruimte om eens flink van bil te gaan, lijkt me heerlijk. Ik wil die strontgeur van die stinkluiers uit m’n neusgaten raggen.”
Ik legde mijn hoofd in mijn handen. “Mijn god, ben ik hier lesbisch voor geworden? Het lijkt wel of ik met een of andere bootwerker aan de bar zit.”
Fiona snoof. “Ik zou een moord doen om er nu een tegen het lijf te lopen.”
Naarmate de avond vorderde werd het steeds drukker in het bruine café. Aan de bar was al lang geen plaats meer en ik was blij dat wij, in tegenstelling tot iedereen die nu nog binnenkwam, niet hoefden te staan. Dat zouden we simpelweg niet meer hebben gekund.
Ik staarde in mijn glas en rookte de ene sigaret na de andere. Fiona deed hetzelfde. Na een tijdje bracht ik mijn hoofd wat dichter bij het hare. “Ik wilde er eerst niet over beginnen, maar heb je Eliza’s blik gezien, vlak voordat we weggingen?”
Fiona knikte langzaam en nipte van haar glas. “Hm, hm. Ik zag hoe ze naar je keek. Waarom denk je dat ik me hier vol zit te gieten. Het is toch duidelijk dat ze helemaal niet in mij geïnteresseerd is?”
Ik legde even mijn hand op haar arm. Ik wist dat Fiona ondanks alles wel gevoelens had voor Eliza.
“Weet je wat ik alleen echt niet begrijp?” vroeg ze retorisch. “Waarom ze dit allemaal overhoop haalt, met dat kind en zo. Dat brengt haar toch ook niet dichter bij jou? Ik bedoel, als dat is wat ze wil, waarom dan al dat gedoe?”
“Het was denk ik niet de bedoeling dat het zo zou lopen”, zei ik. “We weten natuurlijk de helft nog niet en misschien komen we daar ook nooit achter, maar ergens is iets mis gegaan in de planning. Ik denk dat ze de afgelopen dagen de baby ergens heeft willen onderbrengen en dat dit niet is gelukt. Daarom kwam ze er uit wanhoop maar mee hierheen.”
“Denk je?”
Ik knikte. Ik zat het met mijn dronken kop ter plekke te verzinnen, maar ik vond het redelijk aannemelijk klinken.
Fiona wipte op van haar barkruk en haalde haar mobiel tevoorschijn. Ze bracht het ding naar haar oor. “Hallo?” schreeuwde ze in een poging boven de muziek uit te komen. Ze keek me verstoord aan en maakte een gebaar naar de deur. Wilde ze naar buiten? Ik wist niet of we dat wel zouden halen. Ik gleed niet al te gracieus van de kruk en probeerde mijn balans te vinden. Fiona kon haar oor niet meer zo goed vinden en plakte de telefoon tegen haar wang.
We strompelden door het aanwezige publiek naar buiten en leunden zwaar tegen de muur naast de deur. “Hallo?” riep ze nogmaals. Ze luisterde even. “Ja, goed, ik kom er nu aan.”
“Of we naar het bureau willen komen.”
“Wat, nu? Hoe dan, ik haal de volgende stoeptegel niet eens.”
“Daar staat een taxi. Taxi!”
Een grote man van middelbare leeftijd draaide zich naar ons om en glimlachte. Hij riep met onvervalst Rotterdams accent:. “Taxi voor de dames, komt u maar.”
“Nee,” riep ik terug, “Komt u maar, want wij kunnen zo ver niet meer lopen.”
We strompelden het politiebureau in. Had ik me maar compleet van de kaart had gezopen, dan zou ik me niet zo hebben gegeneerd. Een agent getooid met een grote zwarte snor kwam ons tegemoet en begeleidde ons naar een kamertje aan het eind van de gang. “Volgens mij kunnen de dames wel een kop koffie gebruiken”, zei hij lachend.
“En wat te eten zou ook niet verkeerd zijn”, etaleerde Fiona haar sociale vaardigheden.
Onderweg viel mijn blik op een verlichtte ruimte naast de kamer waarin wij geacht werden plaats te nemen.
Ik keek door de ruit en bleef abrupt staan. “Wat doet zij hier?” vroeg ik, bijna meteen weer nuchter.
De agent volgde mijn blik. “We hebben haar zojuist binnengebracht. Kennen jullie haar?”
Fiona wurmde zich tussen ons in. Haar rooddoorlopen ogen werden groot. “Maar dat is, dat is Eliza’s moeder”, hakkelde ze. (zie PD 24)
“We hebben uw spullen teruggevonden in een loods even buiten Breda en die staat op haar naam. Maar u kent elkaar dus?”
Fiona hief haar hoofd op naar de agent. “Was het een Wehkamp-loods toevallig?”
Ik gaf haar een por en wierp nogmaals een blik door de ruit en keek recht in de ijzig kalme ogen van Jeanne.
De schrijfster is terug van haar vakantie, dus volgende week zondag weer meer Paringsdans!
Terwijl de meiden in het lege huis naar adem stonden te happen, kwam Eliza opeens binnen. Eliza? Inderdaad: het suikerspinmeisje, de verdachte scharrel van Fiona, die opeens een stuk minder verdacht bleek en meteen even uitlegde van wie het kind nu precies was (zie Paringsdans 36 en eerder).
Do en Fiona begrijpen er uiteindelijk weinig meer van en besluiten er eens even goed over na te gaan denken onder het genot van een drankje (of wat).
Fiona en Eliza zaten nu al vijf dagen in mijn huis. Met baby ook nog eens een keer. We moesten wel aangifte van inbraak doen bij de politie, alleen was daar eigenlijk geen sprake van. De deur was netjes op slot, niets geforceerd. Er was nog geen verfsplinter gesneuveld.
Toon maar eens aan dat je in een vlaag van verstandsverbijstering niet zelf je complete interieur bij het grofvuil hebt gezet. De politie zou een onderzoek instellen. “Maar verwacht er niet te veel van mevrouw. Als we, los van de uwe en eventueel uw vriendinnen, geen vingerafdrukken vinden wordt het verdomd lastig.”
Ik had Fiona om de haverklap aan de telefoon, omdat ze gek werd van stinkende poepluiers en de weeïge geur van opgewarmde poedermelk. “Do, als we nu niet de kroeg induiken word ik knettergek.”
In een grijs verleden, of nou ja, eigenlijk na die keer dat we met een stuk in onze kraag van de snelweg werden geplukt, had ik me voorgenomen in elk geval doordeweeks niet meer zoveel te drinken. Maar Fiona’s smeekbede ging door merg en been. Daarbij kon ik zelf na de laatste ontwikkelingen ook wel een borrel gebruiken. En dus hingen we in onze stamkroeg aan de rand van de stad aan de bar, met in de ene hand een peuk en in de andere een glas Campari. Het was rustig.
Buiten deed de zon haar best om vlak voor het vallen van de avond het wolkendek alsnog uiteen te rijten.
“Eigenlijk jammer dat ik destijds al mijn spullen bij Wehkamp heb gekocht”, zuchtte Fiona en nam nog een slok.
Ik nam een trek van mijn sigaret en keek haar van opzij aan. “Hoezo?”
“Nou, als het een of andere designwinkel was geweest, had ik nu meer op kunnen geven bij de verzekering.”
“Mijn god, je bent nog geen week je spullen kwijt en in gedachte al bezig de verzekering te tillen.”
Ik blies mijn rook in de lichtbundel van de barverlichting en keek een poosje naar de grijze kringeldamp. “Trouwens, Wehkamp heeft ook design volgens mij.”
Fiona draaide zich diepfronsend naar me om. “Natuurlijk niet. Wehkamp is er voor het klootjesvolk, dat zich alleen maar klootjesmeubels kan veroorloven.”
Ze hief haar glas. “Dit bijvoorbeeld, is Campari, dat is design. Blue CuraÇao daarentegen, is de Wehkamp onder de likeuren.”
De nevel sloeg toe in mijn hoofd. “Weet je wat pas echt Wehkamp is? Schoenen van de markt.”
Fiona pufte haar sigarettenrook in mijn gezicht. “Wat is dat nu weer voor gelul. Ik heb hele gave schoenen op de markt gekocht laatst.”
“Ja, maar dat was op de Albert Cuyp en dat is dan wel weer design. Die markt bij ons op het plein in de stad is toch echt heel erg Wehkamp.”
Fiona knikte instemmend. “Ja, volgens mij komen hun spullen ook uit dezelfde container. Misschien liggen die van mij er inmiddels ook weer.” Ze nam nog een slok. “Ik ben eigenlijk blij dat ik er vanaf ben.”
We lieten ons opnieuw inschenken. Het blonde meisje achter de bar glimlachte vriendelijk en keek ons even met een schuin hoofd aan. “Gaat het wel goed dames?”
Fiona streek een rode krul achter haar oor. “Prima, ik heb me in tijden niet zo goed gevoeld, wat jij Do?”
Ik knikte heftig. “Helemaal top.” Ik dronk mijn glas in een teug leeg en zette het met een klap terug op de bar. “Doe mij er nog maar een.”
Het blonde ding lachte een witte rij tanden bloot en deed wat haar gevraagd werd.
Toen ze zich weer had omgedraaid, schoof Fiona dichter naar me toe. “Best wel een lekker ding, heb jij haar hier eerder gezien?”
Ik schudde mijn hoofd. “Hou jij je nou maar bij je eigen blonde stoot, heb je je handen meer dan vol aan.” Ik stak nog maar eens een sigaret op. “Nu we het er toch over hebben, hoe is het eigenlijk met jullie?”
Fiona haalde haar schouders op. “We leven een soort van langs elkaar heen. Ze blijft bij haar verhaal en dat jankende mormel komt me de strot uit.”
“Fioon”, zei ik op bestraffende toon, “Het is een baby. Die weet nog helemaal niks. Als ik me bedenk hoe dat kereltje op moeten groeien springen de tranen me in de ogen. Het is toch triest?”
We dronken stevig door en leunden zwaar op het houten blad van de bar. Om ons heen hadden zich wat studenten verzameld en de muziek nam in volume toe, waardoor we steeds harder gingen praten. Soms kwamen we er zelfs bovenuit en draaiden verschillende hoofden met verbaasde blikken onze kant op.
“Ik wil dat ze terug gaat naar haar ouders”, zei Fiona met dubbele tong.
“Dat doet ze nooit”, zei ik resoluut.
“Ik wil gewoon weer uitgaan en na afloop een lekker wijf mee naar huis nemen om mee te neuken.”
“Fioon!” wees ik haar op harde toon terecht. “Vrouwen neuken niet, vrouwen vrijen.”
“Mijn god, wat is dat nu weer voor Wehkampterm? Neuken staat toch voor gemeenschap hebben? Wat zeg ik dan verkeerd?”
“Het klinkt zo grof. Dat kan toch ook anders?”
“Nee. Ik wil neuken.”
De bodem van het glas kwam alweer in zicht en Fiona wenkte het barmeisje. “Zet die fles eens hier, ik krijg lamme stembanden van het bestellen.” Ze greep mijn glas. “Jij nog?”, vroeg ze zonder op antwoord te wachten en goot ongecontroleerd een plens Campari tot aan de rand. “Hebben wij het al eens met elkaar gedaan eigenlijk?” vroeg ze zonder me aan te kijken.
“Je bent dronken”, zei ik lijzig.
“Nee jij kijkt lekker uit je ogen. Wanneer hebben wij het nou met elkaar gedaan?”
“Nooit en dat blijft ook zo.”
“Vind je me niet aantrekkelijk soms?”
“Ik vind je een beetje eh, niet mijn type.”
Ze fronste. “Wat is dat nu weer. We kennen elkaar al meer dan twintig jaar, natuurlijk ben ik je type.”
“Niet om het mee te doen.”
“Maar je houdt toch van me? Dan kunnen we het best samen doen. Laten we naar mijn huis gaan, daar hebben we nu lekker de ruimte om eens flink van bil te gaan, lijkt me heerlijk. Ik wil die strontgeur van die stinkluiers uit m’n neusgaten raggen.”
Ik legde mijn hoofd in mijn handen. “Mijn god, ben ik hier lesbisch voor geworden? Het lijkt wel of ik met een of andere bootwerker aan de bar zit.”
Fiona snoof. “Ik zou een moord doen om er nu een tegen het lijf te lopen.”
Naarmate de avond vorderde werd het steeds drukker in het bruine café. Aan de bar was al lang geen plaats meer en ik was blij dat wij, in tegenstelling tot iedereen die nu nog binnenkwam, niet hoefden te staan. Dat zouden we simpelweg niet meer hebben gekund.
Ik staarde in mijn glas en rookte de ene sigaret na de andere. Fiona deed hetzelfde. Na een tijdje bracht ik mijn hoofd wat dichter bij het hare. “Ik wilde er eerst niet over beginnen, maar heb je Eliza’s blik gezien, vlak voordat we weggingen?”
Fiona knikte langzaam en nipte van haar glas. “Hm, hm. Ik zag hoe ze naar je keek. Waarom denk je dat ik me hier vol zit te gieten. Het is toch duidelijk dat ze helemaal niet in mij geïnteresseerd is?”
Ik legde even mijn hand op haar arm. Ik wist dat Fiona ondanks alles wel gevoelens had voor Eliza.
“Weet je wat ik alleen echt niet begrijp?” vroeg ze retorisch. “Waarom ze dit allemaal overhoop haalt, met dat kind en zo. Dat brengt haar toch ook niet dichter bij jou? Ik bedoel, als dat is wat ze wil, waarom dan al dat gedoe?”
“Het was denk ik niet de bedoeling dat het zo zou lopen”, zei ik. “We weten natuurlijk de helft nog niet en misschien komen we daar ook nooit achter, maar ergens is iets mis gegaan in de planning. Ik denk dat ze de afgelopen dagen de baby ergens heeft willen onderbrengen en dat dit niet is gelukt. Daarom kwam ze er uit wanhoop maar mee hierheen.”
“Denk je?”
Ik knikte. Ik zat het met mijn dronken kop ter plekke te verzinnen, maar ik vond het redelijk aannemelijk klinken.
Fiona wipte op van haar barkruk en haalde haar mobiel tevoorschijn. Ze bracht het ding naar haar oor. “Hallo?” schreeuwde ze in een poging boven de muziek uit te komen. Ze keek me verstoord aan en maakte een gebaar naar de deur. Wilde ze naar buiten? Ik wist niet of we dat wel zouden halen. Ik gleed niet al te gracieus van de kruk en probeerde mijn balans te vinden. Fiona kon haar oor niet meer zo goed vinden en plakte de telefoon tegen haar wang.
We strompelden door het aanwezige publiek naar buiten en leunden zwaar tegen de muur naast de deur. “Hallo?” riep ze nogmaals. Ze luisterde even. “Ja, goed, ik kom er nu aan.”
“Of we naar het bureau willen komen.”
“Wat, nu? Hoe dan, ik haal de volgende stoeptegel niet eens.”
“Daar staat een taxi. Taxi!”
Een grote man van middelbare leeftijd draaide zich naar ons om en glimlachte. Hij riep met onvervalst Rotterdams accent:. “Taxi voor de dames, komt u maar.”
“Nee,” riep ik terug, “Komt u maar, want wij kunnen zo ver niet meer lopen.”
We strompelden het politiebureau in. Had ik me maar compleet van de kaart had gezopen, dan zou ik me niet zo hebben gegeneerd. Een agent getooid met een grote zwarte snor kwam ons tegemoet en begeleidde ons naar een kamertje aan het eind van de gang. “Volgens mij kunnen de dames wel een kop koffie gebruiken”, zei hij lachend.
“En wat te eten zou ook niet verkeerd zijn”, etaleerde Fiona haar sociale vaardigheden.
Onderweg viel mijn blik op een verlichtte ruimte naast de kamer waarin wij geacht werden plaats te nemen.
Ik keek door de ruit en bleef abrupt staan. “Wat doet zij hier?” vroeg ik, bijna meteen weer nuchter.
De agent volgde mijn blik. “We hebben haar zojuist binnengebracht. Kennen jullie haar?”
Fiona wurmde zich tussen ons in. Haar rooddoorlopen ogen werden groot. “Maar dat is, dat is Eliza’s moeder”, hakkelde ze. (zie PD 24)
“We hebben uw spullen teruggevonden in een loods even buiten Breda en die staat op haar naam. Maar u kent elkaar dus?”
Fiona hief haar hoofd op naar de agent. “Was het een Wehkamp-loods toevallig?”
Ik gaf haar een por en wierp nogmaals een blik door de ruit en keek recht in de ijzig kalme ogen van Jeanne.
De schrijfster is terug van haar vakantie, dus volgende week zondag weer meer Paringsdans!