Paringsdans
Dominique | Lesbisch Feuilleton | Aflevering 33
Gepubliceerd op: 24 april 2005
Fiona had een interessante theorie over de herkomst van de dreigende sms-jes aan Dominique. Spelen er zich inderdaad twee scenario's tegelijkertijd af, of heeft het een wel degelijk te maken met het ander? Do en Fiona reizen af naar het zuiden, vastbesloten om eindelijk de waarheid boven tafel te krijgen.
Fiona stond onder de douche. Ik zat op het krukje naast de wastafel in de badkamer. “Dus, wat ga je nu doen als Eliza ineens weer voor je neus staat?” vroeg ik.
“Geen idee. Waarschijnlijk laat ik haar gewoon binnen.”
Ik trok een gezicht, wat Fiona niet kon zien door de douchecabine tussen ons in.“Dit kan toch niet nog weken zo doorgaan?”
Ze draaide de kranen dicht en sloeg een handdoek om zich heen. Ze stapte de cabine uit en druppelde mijn laarzen nat. “Nee, dat weet ik ook wel”, zei ze zuchtend. Ze droogde zich af.
“Ik weet al wat ik tegen Yvette zei in het hotel. Dat ze haar handen niet thuis kon houden of zo.”
“Waarna ze de daad bij het woord voegde”, zei Fiona droog.
“God ja, ik was meteen gevloerd.” Ik dacht terug aan het genante moment en voelde de pijn aan mijn oog bijna weer.
“Ze was pissed over onze bemoeienissen met haar en Marga.”
Fiona kleedde zich aan en borstelde haar stugge krullen voor de spiegel. "Alsof Marga zich daar iets van aantrok. Volgens mij hebben die twee nog steeds wat, ook al mept Yvette haar regelmatig buiten westen.”
“Maar jij zei dat Marga en Myrthe met elkaar naar bed waren geweest?”
Fiona knikte heftig. “Ja, maar dat weet Yvette natuurlijk niet. Ik begrijp sowieso het fenomeen ‘nog één keer slapen met je ex’ niet zo. Het lijkt wel schering en inslag in die pottenwereld.”
Mijn mobiel piepte in mijn tas. Ik liep de kamer in en haalde het ding tevoorschijn.
Dominique, ik heb je gemist. Jij mij ook...?
Mijn maag trok zich samen. Begon het circus nu weer? Ik slikte en wilde het berichtje wissen, maar bedacht me. Misschien was het beter ze vanaf nu allemaal te bewaren. De telefoon trilde opnieuw.
Nee, je bent nog niet van me af Dominique. Ik heb je even rust gegund. Maar nu ben ik terug. Lieve mooie Dominique, wij horen bij elkaar. Jij en ik. Daar komt niemand tussen. En iedereen die dat probeert zal het bezuren. Je bent van mij, Dominique. Van mij.
Fiona kwam de kamer ingelopen en zag aan mijn lijkbleke gezicht dat er iets goed mis was.
“Je kijkt alsof je een geest hebt gezien.”
Ik richtte mijn blik vol afschuw op haar en liet het berichtje lezen. Fiona trok haar wenkbrauwen op. “Zo, ze laat er geen gras over groeien.”
“Maar Yvette wil alleen Marga. Die is helemaal geobsedeerd door haar, ik vind deze sms-jes daar haaks op staan eerlijk gezegd’, zei ik, hoewel niet helemaal overtuigd.
Fiona fronste en bekeek het bericht nogmaals. “Ik weet het niet. Ze zit je te stangen denk ik.”
“Dat lukt ‘r uitstekend.”
Ik voelde me naar. Mijn mond was kurkdroog en ik werd onrustig. “Moet je veel doen vandaag?” vroeg ik aan Fiona.
“Nee, hoezo?”
“Dan gaan we naar Breda, naar Eliza’s ouders.”
Fiona keek me schaapachtig aan. “Wat, nu? Ik geloof niet dat Eliza iets te maken heeft met die sms-jes hoor.”
“Een ding tegelijk, ik wil eindelijk eens met haar ouders praten”, zei ik vastbesloten.
“Kun je geen kamer huren in Breda, je brengt er zo langzamerhand meer tijd door dan hier.”
Ik negeerde haar sarcasme en liep naar de deur, Fiona volgde in mijn kielzog.
“Ik kan niet rijden.”
“Wat nou ik kan niet rijden, wat zat er door je koffie dan?” vroeg ik meer uit gein dan dat ik het echt meende.
“Whisky”, zei ze na enige aarzeling.
“Whisky? Door je koffie? Wat voor Whisky?”
“GlenFiddich.”
“Mijn god dat is doodzonde, je gooit toch geen GlenFiddich door je koffie? Dat doe je met zo’n gore bourbon als Jack, maar niet met Glen. En je mixt trouwens sowieso geen whisky met koffie.”
“Ja maar anders kreeg ik het niet weg”, wierp ze pruilend tegen.
Ik zuchtte. “Wat, de koffie of de whisky? Waarom moest het überhaupt naar binnen?”
“Omdat ik me wilde ontspannen, dat lukt de laatste tijd niet meer zo goed.
“En dan zet je het maar op een zuipen?” vroeg ik nu boos.
Fiona fronste. “We zetten het wel vaker op een zuipen.”
“Ja, maar toch niet al om twaalf uur ’s middags?”
“Nou ik kan legio voorbeelden aandragen van keren dat wij vroeg in de middag al zwalkend over de Lijnbaan gingen na een uurtje shoppen.”
“Dat is een enkele keer gebeurd”, zei ik nors.
“Dat gebeurt altijd als wij de stad in duiken.”
“De laatste keer was met mijn moeder en dan is het uiterst legitiem om je vol te laten lopen.” (zie PD 7, red.)
Nog heftig geïrriteerd namompelend stapte ik achter het stuur en reed ons naar Breda. Ik kon de route inmiddels dromen.
“Jij mag eigenlijk helemaal niet rijden”, realiseerde Fiona zich ineens hardop.
“Nee, inderdaad”, blafte ik, “en door wie komt dat?”
Fiona pufte een lange ademstoot tegen de voorruit. “Wie zat er nou verdomme dronken achter het stuur?” (zie PD 11, red.)
“Ja, hoe hadden we anders thuis moeten komen, met de taxi soms? Weet je wat dat kost?”
“Wat denk je van de boete die je tegemoet komt als er een uitspraak is geweest, daarvan hadden we met die taxi naar Parijs kunnen rijden en weer terug.”
Ik zat meteen een stuk ongemakkelijker.“Misschien kom ik er wel met een taakstraf vanaf’, opperde ik optimistisch.
We sloegen af en reden de straat in van Eliza’s ouders.
“Weet je zeker dat we hier goed aan doen?” vroeg Fiona onzeker.
“Nee, maar we moeten toch iets? Ik word gek van het hele gezeik. Er moet een einde aan komen. Dat wil jij toch ook?”
We stapten uit en liepen naar de voordeur. Eenmaal op de stoep durfden we geen van beide aan te bellen. “Druk jij maar”, zei ik.
“Waarom ik? Het was jouw idee om hierheen te rijden.”
“Mijn god, ik ga nu echt geen strijd met je aan over wie de meest geldige reden heeft om niet aan te hoeven bellen.”
Ik deed een stap naar voren en drukte op de bel. Het duurde even voor er open werd gedaan. Daar stond ‘ie weer, de man met de bootwerkerhanden en het lijf van twee gepensioneerde bodybuilders die kampten met overgewicht. Zijn gezicht had een stuurse uitdrukking. Toen hij ons herkende maakte die stuursheid verrassend genoeg plaats voor een wat mildere expressie, enigszins gecamoufleerd met achterdocht. Toch had ik niet het idee dat hij ons meteen weer de auto in zou tieren. Integendeel, hij deed een stap naar achteren en wenkte ons naar binnen. Fiona en ik keken elkaar even aan en stapten tegelijk over de drempel.
“Ga zitten”, zei hij kort, maar redelijk vriendelijk. “Koffie?”
We knikten gedwee. Hij verween de keuken in en wij keken de kamer rond. Het was tamelijk benauwd ingericht, al het meubilair was van donker eiken, afgewisseld met een duizelingwekkend aantal kristallen beeldjes. “Dat die nog heel zijn, met zo’n nijlpaard in huis”, fluisterde Fiona.
Ik gaf haar een por.
“Denk je dat we mogen roken?” vroeg ze zacht.
Ik keek haar alleen maar aan, waarna ze het pakje sigaretten dat ze intussen uit haar zak had gehaald weer terugstopte.
Eliza’s vader kwam terug met twee dampende koppen koffie en zette ze op de eiken kamertafel. Hij ging tegenover ons zitten. De stilte die viel was bijna ondraaglijk. Hij schraapte zijn keel. “Ik ben laatst niet zo vriendelijk tegen jullie geweest geloof ik.”
We verschoven iets op onze stoelen. “Ach...” zei ik en maakte kort een wegwerpgebaar.
“Ik ben Jozias, maar jullie mogen wel Jos zeggen”, zei hij met zijn zware bromstem.
“Fiona en Dominique”, zei ik, wijzend van de een naar de ander.
Jos knikte. “Jullie komen voor Eliza.”
Ik bevochtigde mijn lippen. “Nou, het gaat over haar inderdaad, maar we komen voor u.”
“We willen uitleg. We weten van Patrick en Irma en de baby, maar niet helemaal hoe het nu precies zit.”
Hij keek me indringend aan. “Patrick en Eliza hebben samen een zoon, maar dat weten jullie dus al. Hebben jullie enig idee hoe schandelijk dat is? Eliza is nog een kind. Patrick is niet veel ouder. Ze zijn niet eens getrouwd.”
Hij zei het alsof dat laatste nog het meest vernederende aan de hele situatie was.
“Waar is de baby?” vroeg ik voorzichtig.
“Die is ze gisteren op komen halen. Mijn vrouw was alleen thuis en Eliza had een smoes, dat ze met hem wilde wandelen of zo, omdat ze hem zo had gemist. En dat terwijl ze zelf hals over kop naar u vertrokken was.” Hij keek naar Fiona en zette zijn relaas voort. “Weken heeft ze ons in de rats laten zitten en opgezadeld met haar kind.”
“Uw kleinkind”, wierp Fiona zich ertussen. Dat was tegen het zere been en ik wenste dat ze haar mond had gehouden. Jos stond op, zijn ogen vernauwd tot spleetjes.
Fiona en ik deinsden instinctief achteruit en keken elkaar verschrikt aan.
“Weet u”, zei hij nu weer iets kalmer, maar nog altijd op zijn hoede, “een paar dagen geleden stond die zus van Patrick hier ineens voor de deur. Ze wilde weten waar Eliza was en ze vroeg ook naar de baby en waarom Patrick zijn kind niet mocht zien. Dat werd een hele toestand, mijn vrouw is er nog van ondersteboven. Weet je wat zij wil? Ze wil Eliza via de kinderbescherming uit de ouderlijke macht ontzetten en zorgen dat Patrick de voogdij krijgt, dat wil ze. Nou, hoe ongelukkig wij ook zijn met de situatie, dat nooit, god bewaar me, maar over mijn lijk. Dat heb ik haar ook letterlijk zo gezegd. En tegen die vriendin van haar.”
Ik schudde verward mijn hoofd. “Haar vriendin?”
“Ja”, zei Jos”, denk je dat ze hier alleen heen durft te komen? Ze had iemand meegebracht. De stumper. Ze is echt van god los, totaal ontspoord.”
“Hoe heet die vriendin?” vroeg Fiona.
Jos ging weer zitten en dacht even na. “Geen idee. Lisette of zo.”
Fiona boog zich voorover. “Bedoelt u misschien Yvette?”
“Ja, zo heet ze ja, Yvette. Kijkt raar uit d’r ogen dat meisje. Alsof de duivel in haar is gevaren.”
Fiona was een en al oor. Ik niet. Hun stemmen vervaagden naar de achtergrond en ik hoorde mijn eigen bloed in mijn oren suizen. Het was alsof een onzichtbare hand langzaam een voor een alle puzzelstukjes op hun plek legde...
Fiona stond onder de douche. Ik zat op het krukje naast de wastafel in de badkamer. “Dus, wat ga je nu doen als Eliza ineens weer voor je neus staat?” vroeg ik.
“Geen idee. Waarschijnlijk laat ik haar gewoon binnen.”
Ik trok een gezicht, wat Fiona niet kon zien door de douchecabine tussen ons in.“Dit kan toch niet nog weken zo doorgaan?”
Ze draaide de kranen dicht en sloeg een handdoek om zich heen. Ze stapte de cabine uit en druppelde mijn laarzen nat. “Nee, dat weet ik ook wel”, zei ze zuchtend. Ze droogde zich af.
“Ik weet al wat ik tegen Yvette zei in het hotel. Dat ze haar handen niet thuis kon houden of zo.”
“Waarna ze de daad bij het woord voegde”, zei Fiona droog.
“God ja, ik was meteen gevloerd.” Ik dacht terug aan het genante moment en voelde de pijn aan mijn oog bijna weer.
“Ze was pissed over onze bemoeienissen met haar en Marga.”
Fiona kleedde zich aan en borstelde haar stugge krullen voor de spiegel. "Alsof Marga zich daar iets van aantrok. Volgens mij hebben die twee nog steeds wat, ook al mept Yvette haar regelmatig buiten westen.”
“Maar jij zei dat Marga en Myrthe met elkaar naar bed waren geweest?”
Fiona knikte heftig. “Ja, maar dat weet Yvette natuurlijk niet. Ik begrijp sowieso het fenomeen ‘nog één keer slapen met je ex’ niet zo. Het lijkt wel schering en inslag in die pottenwereld.”
Mijn mobiel piepte in mijn tas. Ik liep de kamer in en haalde het ding tevoorschijn.
Dominique, ik heb je gemist. Jij mij ook...?
Mijn maag trok zich samen. Begon het circus nu weer? Ik slikte en wilde het berichtje wissen, maar bedacht me. Misschien was het beter ze vanaf nu allemaal te bewaren. De telefoon trilde opnieuw.
Nee, je bent nog niet van me af Dominique. Ik heb je even rust gegund. Maar nu ben ik terug. Lieve mooie Dominique, wij horen bij elkaar. Jij en ik. Daar komt niemand tussen. En iedereen die dat probeert zal het bezuren. Je bent van mij, Dominique. Van mij.
Fiona kwam de kamer ingelopen en zag aan mijn lijkbleke gezicht dat er iets goed mis was.
“Je kijkt alsof je een geest hebt gezien.”
Ik richtte mijn blik vol afschuw op haar en liet het berichtje lezen. Fiona trok haar wenkbrauwen op. “Zo, ze laat er geen gras over groeien.”
“Maar Yvette wil alleen Marga. Die is helemaal geobsedeerd door haar, ik vind deze sms-jes daar haaks op staan eerlijk gezegd’, zei ik, hoewel niet helemaal overtuigd.
Fiona fronste en bekeek het bericht nogmaals. “Ik weet het niet. Ze zit je te stangen denk ik.”
“Dat lukt ‘r uitstekend.”
Ik voelde me naar. Mijn mond was kurkdroog en ik werd onrustig. “Moet je veel doen vandaag?” vroeg ik aan Fiona.
“Nee, hoezo?”
“Dan gaan we naar Breda, naar Eliza’s ouders.”
Fiona keek me schaapachtig aan. “Wat, nu? Ik geloof niet dat Eliza iets te maken heeft met die sms-jes hoor.”
“Een ding tegelijk, ik wil eindelijk eens met haar ouders praten”, zei ik vastbesloten.
“Kun je geen kamer huren in Breda, je brengt er zo langzamerhand meer tijd door dan hier.”
Ik negeerde haar sarcasme en liep naar de deur, Fiona volgde in mijn kielzog.
“Ik kan niet rijden.”
“Wat nou ik kan niet rijden, wat zat er door je koffie dan?” vroeg ik meer uit gein dan dat ik het echt meende.
“Whisky”, zei ze na enige aarzeling.
“Whisky? Door je koffie? Wat voor Whisky?”
“GlenFiddich.”
“Mijn god dat is doodzonde, je gooit toch geen GlenFiddich door je koffie? Dat doe je met zo’n gore bourbon als Jack, maar niet met Glen. En je mixt trouwens sowieso geen whisky met koffie.”
“Ja maar anders kreeg ik het niet weg”, wierp ze pruilend tegen.
Ik zuchtte. “Wat, de koffie of de whisky? Waarom moest het überhaupt naar binnen?”
“Omdat ik me wilde ontspannen, dat lukt de laatste tijd niet meer zo goed.
“En dan zet je het maar op een zuipen?” vroeg ik nu boos.
Fiona fronste. “We zetten het wel vaker op een zuipen.”
“Ja, maar toch niet al om twaalf uur ’s middags?”
“Nou ik kan legio voorbeelden aandragen van keren dat wij vroeg in de middag al zwalkend over de Lijnbaan gingen na een uurtje shoppen.”
“Dat is een enkele keer gebeurd”, zei ik nors.
“Dat gebeurt altijd als wij de stad in duiken.”
“De laatste keer was met mijn moeder en dan is het uiterst legitiem om je vol te laten lopen.” (zie PD 7, red.)
Nog heftig geïrriteerd namompelend stapte ik achter het stuur en reed ons naar Breda. Ik kon de route inmiddels dromen.
“Jij mag eigenlijk helemaal niet rijden”, realiseerde Fiona zich ineens hardop.
“Nee, inderdaad”, blafte ik, “en door wie komt dat?”
Fiona pufte een lange ademstoot tegen de voorruit. “Wie zat er nou verdomme dronken achter het stuur?” (zie PD 11, red.)
“Ja, hoe hadden we anders thuis moeten komen, met de taxi soms? Weet je wat dat kost?”
“Wat denk je van de boete die je tegemoet komt als er een uitspraak is geweest, daarvan hadden we met die taxi naar Parijs kunnen rijden en weer terug.”
Ik zat meteen een stuk ongemakkelijker.“Misschien kom ik er wel met een taakstraf vanaf’, opperde ik optimistisch.
We sloegen af en reden de straat in van Eliza’s ouders.
“Weet je zeker dat we hier goed aan doen?” vroeg Fiona onzeker.
“Nee, maar we moeten toch iets? Ik word gek van het hele gezeik. Er moet een einde aan komen. Dat wil jij toch ook?”
We stapten uit en liepen naar de voordeur. Eenmaal op de stoep durfden we geen van beide aan te bellen. “Druk jij maar”, zei ik.
“Waarom ik? Het was jouw idee om hierheen te rijden.”
“Mijn god, ik ga nu echt geen strijd met je aan over wie de meest geldige reden heeft om niet aan te hoeven bellen.”
Ik deed een stap naar voren en drukte op de bel. Het duurde even voor er open werd gedaan. Daar stond ‘ie weer, de man met de bootwerkerhanden en het lijf van twee gepensioneerde bodybuilders die kampten met overgewicht. Zijn gezicht had een stuurse uitdrukking. Toen hij ons herkende maakte die stuursheid verrassend genoeg plaats voor een wat mildere expressie, enigszins gecamoufleerd met achterdocht. Toch had ik niet het idee dat hij ons meteen weer de auto in zou tieren. Integendeel, hij deed een stap naar achteren en wenkte ons naar binnen. Fiona en ik keken elkaar even aan en stapten tegelijk over de drempel.
“Ga zitten”, zei hij kort, maar redelijk vriendelijk. “Koffie?”
We knikten gedwee. Hij verween de keuken in en wij keken de kamer rond. Het was tamelijk benauwd ingericht, al het meubilair was van donker eiken, afgewisseld met een duizelingwekkend aantal kristallen beeldjes. “Dat die nog heel zijn, met zo’n nijlpaard in huis”, fluisterde Fiona.
Ik gaf haar een por.
“Denk je dat we mogen roken?” vroeg ze zacht.
Ik keek haar alleen maar aan, waarna ze het pakje sigaretten dat ze intussen uit haar zak had gehaald weer terugstopte.
Eliza’s vader kwam terug met twee dampende koppen koffie en zette ze op de eiken kamertafel. Hij ging tegenover ons zitten. De stilte die viel was bijna ondraaglijk. Hij schraapte zijn keel. “Ik ben laatst niet zo vriendelijk tegen jullie geweest geloof ik.”
We verschoven iets op onze stoelen. “Ach...” zei ik en maakte kort een wegwerpgebaar.
“Ik ben Jozias, maar jullie mogen wel Jos zeggen”, zei hij met zijn zware bromstem.
“Fiona en Dominique”, zei ik, wijzend van de een naar de ander.
Jos knikte. “Jullie komen voor Eliza.”
Ik bevochtigde mijn lippen. “Nou, het gaat over haar inderdaad, maar we komen voor u.”
“We willen uitleg. We weten van Patrick en Irma en de baby, maar niet helemaal hoe het nu precies zit.”
Hij keek me indringend aan. “Patrick en Eliza hebben samen een zoon, maar dat weten jullie dus al. Hebben jullie enig idee hoe schandelijk dat is? Eliza is nog een kind. Patrick is niet veel ouder. Ze zijn niet eens getrouwd.”
Hij zei het alsof dat laatste nog het meest vernederende aan de hele situatie was.
“Waar is de baby?” vroeg ik voorzichtig.
“Die is ze gisteren op komen halen. Mijn vrouw was alleen thuis en Eliza had een smoes, dat ze met hem wilde wandelen of zo, omdat ze hem zo had gemist. En dat terwijl ze zelf hals over kop naar u vertrokken was.” Hij keek naar Fiona en zette zijn relaas voort. “Weken heeft ze ons in de rats laten zitten en opgezadeld met haar kind.”
“Uw kleinkind”, wierp Fiona zich ertussen. Dat was tegen het zere been en ik wenste dat ze haar mond had gehouden. Jos stond op, zijn ogen vernauwd tot spleetjes.
Fiona en ik deinsden instinctief achteruit en keken elkaar verschrikt aan.
“Weet u”, zei hij nu weer iets kalmer, maar nog altijd op zijn hoede, “een paar dagen geleden stond die zus van Patrick hier ineens voor de deur. Ze wilde weten waar Eliza was en ze vroeg ook naar de baby en waarom Patrick zijn kind niet mocht zien. Dat werd een hele toestand, mijn vrouw is er nog van ondersteboven. Weet je wat zij wil? Ze wil Eliza via de kinderbescherming uit de ouderlijke macht ontzetten en zorgen dat Patrick de voogdij krijgt, dat wil ze. Nou, hoe ongelukkig wij ook zijn met de situatie, dat nooit, god bewaar me, maar over mijn lijk. Dat heb ik haar ook letterlijk zo gezegd. En tegen die vriendin van haar.”
Ik schudde verward mijn hoofd. “Haar vriendin?”
“Ja”, zei Jos”, denk je dat ze hier alleen heen durft te komen? Ze had iemand meegebracht. De stumper. Ze is echt van god los, totaal ontspoord.”
“Hoe heet die vriendin?” vroeg Fiona.
Jos ging weer zitten en dacht even na. “Geen idee. Lisette of zo.”
Fiona boog zich voorover. “Bedoelt u misschien Yvette?”
“Ja, zo heet ze ja, Yvette. Kijkt raar uit d’r ogen dat meisje. Alsof de duivel in haar is gevaren.”
Fiona was een en al oor. Ik niet. Hun stemmen vervaagden naar de achtergrond en ik hoorde mijn eigen bloed in mijn oren suizen. Het was alsof een onzichtbare hand langzaam een voor een alle puzzelstukjes op hun plek legde...