Paringsdans
Dominique | Lesbisch Feuilleton | Aflevering 30
Gepubliceerd op: 03 april 2005
De meiden zijn het Eliza-drama zat en zetten koers naar Breda, in een wanhoopspoging om meer duidelijkheid te krijgen over de vage gebeurtenissen van de laatste tijd.
We reden nu al een half uur alleen maar rondjes. “Cat, ik ken hier de weg ook niet hoor, waar wil je in godsnaam heen?” vroeg Marga, de wanhoop nabij.
Cat tuurde door de voorruit. Myrthe zat praktisch bij me op schoot en Tamar en Jorinde zouden niet misstaan in een yogaklasje.
“Dit is toch idioot”, mopperde Marga verder en draaide de auto een bocht door.
“Rijd maar naar de Venice Bar, waar ligt dat ook al weer?” vroeg Cat achteromkijkend.
Myrthe vouwde haar been onder de mijne vandaan. “Halstraat.”
“Halstraat”, herhaalde Cat langzaam en keek weer voor zich uit.
Marga fronste. “Alsof ik nu moet weten waar dat is.”
“Stop hier eens even”, maande Jorinde. We hielden stil naast een café en Jorinde rolde de auto uit, half struikelend over het uitgestoken been van haar vriendin. Ze rende de kroeg in en wenkte binnen de barman. We zagen haar druk gebaren en even later kwam ze weer naar buiten. “Deze straat uitrijden en dan de eerste rechts, we zijn er vlakbij.” Ze stapte weer in.
Marga parkeerde de auto en eindelijk konden we onze benen even strekken. “Drinken we hier meteen even wat, ik heb dorst”, zei Tamar.
Cat liep voor ons uit de deur van Venice binnen. Het was druk en rokerig. Ik hoefde mijn pakje sigaretten niet eens tevoorschijn te halen om een flinke dosis nicotine naar binnen te kunnen zuigen.
“Zie je bekenden?” vroeg Cat aan Myrthe.
Die keek haar glazig aan. “Lieve schat, ik ben hier nog nooit geweest.”
“Ja maar, herken je mensen van het carnaval in Den Bosch?”
“We zijn in Bre-da.”
Ik moest lachen. We leken ons een beetje te verliezen in de absurditeit.
Cat keek de kroeg rond en schudde haar hoofd. “Laten we inderdaad maar wat naar binnen gieten, anders word ik gek van mezelf.”
We bestelden en bleven in de buurt van de bar staan. Myrthe keek in het rond en nipte van haar borrel cola. Ik wilde juist een opmerking maken over de muziek toen ik zag dat Myrthe’s aandacht werd getrokken door een meisje achterin het lokaal. “Glimp van herkenning?” vroeg ik hoopvol.
Myrthe knikte voorzichtig. “Ik twijfel, maar volgens mij heb ik haar wel eens gezien inderdaad.”
Ik volgde haar ogen en zag een klein blond meisje in spijkerbroek en dito jasje aan het eind van de bar staan. “Nou, ga dan naar haar toe, misschien levert het iets op.”
Myrthe aarzelde. “Ja, maar ik weet niet waarvan ik haar ken. Misschien heb ik in een dronken bui eens met haar staan zoenen.”
“Ziet ze eruit alsof je met haar zou willen zoenen?”
“Nee. Daarom zei ik ook al; in een dronken bui.”
We staarden ongegeneerd naar het meisje. Ik stootte Myrthe aan. “Ga nu naar haar toe, begin een gesprekje, wie weet brengt het ons wel ergens. Bedenk je maar dat je ons een eindeloze rondtoer Breda kunt besparen.”
Myrthe zuchtte diep, zette haar glas op de bar en liep langs ons heen.
“Wat gaat die nu weer doen?” vroeg Marga verbaasd.
“Ons een dienst bewijzen. Hoop ik.”
Cat kwam achter me staan en kuste me zacht in mijn nek. Er trok een heerlijke siddering langs mijn ruggengraat. “Niemand bedreigt mijn meisje”, zei ze zacht in mijn oor. “Al moet ik naar Groningen en weer terug, ik zal ze vinden.”
Ik wist dat ze het meende. Daarom was ik blij dat we iets dichter bij huis waren gebleven.
“Nemen we er nog een?” vroeg Tamar vrolijk. Een overbodige vraag.
Ik probeerde in te schatten hoe het gesprek verliep tussen Myrthe en het meisje achterin. Cat draaide zich naar me om. “Hebben we beet?” vroeg ze, met haar duim in de richting van Myrthe wijzend.
Ik haalde mijn schouders op. “Myrthe misschien”, grapte ik.
Tamar deelde de glazen uit en op dat moment kwam Myrthe teruggelopen. Ze glimlachte. Haar rossige haar danste om haar spitse smoeltje.
“En?” vroegen Cat en ik in koor.
“Ik heb inderdaad met haar gezoend”, lachte ze.
Cat verslikte zich bijna. “Wat, nu net? Sloerie.”
“Nee lekker ding, tijdens carnaval dus.”
Ik trok mijn wenkbrauwen op tot ver boven mijn haargrens. “Was ze met dat groepje van het meisje dat we zoeken?”
“Nee, dat niet, maar ze kent haar wel”, zei Myrthe triomfantelijk. Ze had ineens al onze aandacht. “Ze heet Irma en waarschijnlijk is ze in het Hijgend Hert.”
Ik spuugde mijn Campari terug in het glas. “Hoe?”
Jorinde schaterde. “Klinkt alsof we daar absoluut willen zijn. Wat heb je hier nog meer voor leuks, de Gele Druif?”
“Het is de Blauwe Meloen, trutje”, lachte Tamar.
“Nee joh, de Blauwe Druif”, mengde Marga zich in de onzin. “Maar die is volgens mij in Den Bosch.”
Cat sloeg haar drank in een teug achterover en maakte aanstalten om weg te gaan. “Nah, kom”, spoorde ze ons aan de glazen eveneens snel leeg te drinken, ”als de zon opkomt, wil ik hier weer weg zijn.”
“Want anders verdampen we en vallen onze tanden uit?” vroeg Marga gniffelend aan mij en Myrthe.
Het leek wel of half Breda zich in het Hijgend Hert had verschanst. “Mijn god, zo moeten de joden zich hebben gevoeld, opeengepakt in een wagon op weg naar een of ander kamp”, pufte ik.
“Het hertenkamp?”, deed Jorinde er nog een schepje bovenop.
Tamar gaf ons een por. “Het grootste deel van mijn familie is op transport gezet ja, een beetje meer respect graag.”
Jorinde en ik keken haar beschaamd aan en murmelden iets wat op een excuus leek.
“Hoe ziet ze er uit zei je?” vroeg Cat aan Myrthe. “Ze heeft halflang donker haar, jouw lengte, forse meid wel.” Ze keken het café rond opzoek naar iemand die aan de beschrijving voldeed. “Het is gekkenwerk, dit”, verzuchtte Myrthe.
“Zei ik toch al”, blafte Marga boven de muziek uit.
“Ik ga het maar vragen”, zei Cat uiteindelijk.
“Vragen? Wil je iedereen af gaan om te vragen of ze Irma kennen?” vroeg Marga ongelovig lachend. Ze stootte demonstratief tegen een lange jongen die naast haar zijn biertje stond te drinken. “Hallo, ken jij Irma?”
De knul boog zich iets naar haar toe. “Wablief?”
“Of je Irma kent, je weet wel, Irma uit Breda. Ze schijnt hier nog wel eens te komen.”
“Flinke meid, donker haar, tot hier ongeveer?” hij trok met zijn vrije hand een denkbeeldige streep over zijn sleutelbeen. Marga knikte schaapachtig.
“Ja die ken ik wel. Ik denk namelijk dat je mijn zus bedoelt.”
Onze monden vielen letterlijk open. Cat hervond zich als eerste. “Weet je waar we haar kunnen vinden?”
“Wat willen jullie van haar?” vroeg hij enigszins wantrouwend. Hij keek ons afwachtend aan.
“Ken je Eliza?” vroeg ik vlakbij zijn oor.
De jongen knikte. “Ja, en of ik die ken.”
“Het is heel belangrijk voor me om met je zus te praten.”
Hij boog zich naar me toe. “En het gaat over Eliza?”
Ik knikte.
Hij keek vertwijfeld en stak toen zijn hand naar me uit. Ik schudde die.
“Ik heet Patrick”, zei hij. Ik stelde me eveneens voor.
“We willen alleen maar graag een paar dingen van haar weten”, ging ik verder.
“Valt ze je lastig, Eliza bedoel ik?” vroeg Patrick.
Ik knikte opnieuw. “Ik ben bang van wel.”
Hij tuitte zijn lippen en zette het lege bierglas op de bar naast zich. “Laten we even naar buiten gaan, we kunnen elkaar hier amper verstaan.”
We volgden hem en hielden in voor de deur van het café. Patrick draaide zich naar ons om. “Ik weet niet of ik Irma hiermee wil opzadelen, ze heeft het eindelijk een beetje rustiger nu.”
Cat deed een stap naar voren en ging naast hem staan. “Dat begrijp ik. Maar wat we tot nu toe hebben meegekregen van alle verhalen denk ik dat het helpt zoveel mogelijk te weten te komen over Eliza. En Irma lijkt de enige persoon om een tipje van de sluier op te kunnen lichten.”
Patrick schamperde. “Oh ja, nou ik heb zelf anders ook heel wat met ‘r te stellen gehad. Nog steeds trouwens, alleen heb ik haar de laatste tijd niet meer gezien.”
“Dat kan kloppen”, zei ik, “ze zit in Rotterdam, bij een vriendin van me die geen idee heeft van wat ze zich op de hals heeft gehaald.”
Patrick keek me aan en vernauwde zijn ogen tot spleetjes. “Hoe lang is ze al in Rotterdam?”
“Een paar weken.”
“En de baby?”
We staarden hem allemaal aan alsof we water zagen branden.
“Sorry”, zei Myrthe hoofdschuddend, “welke baby?”
“Nou, onze baby. Eliza is de moeder van mijn kind.”
Zelfs Cat was compleet uit het veld geslagen. Patrick keek ons met grote ogen aan.
Ik stak met trillende handen mijn zoveelste sigaret op.
“Eh...” probeerde Myrthe, maar haar woorden stierven weg in de koude avondlucht.
“Hm”, mompelde Patrick, “Zeker weer bij haar ouders gedumpt.”
Haar ouders. Ineens voelde ik dat de sleutel tot dit alles wel eens heel ergens anders zou kunnen liggen dan waar we tot nu hadden gezocht.
Volgende week zondag meer over Eliza's verleden!
We reden nu al een half uur alleen maar rondjes. “Cat, ik ken hier de weg ook niet hoor, waar wil je in godsnaam heen?” vroeg Marga, de wanhoop nabij.
Cat tuurde door de voorruit. Myrthe zat praktisch bij me op schoot en Tamar en Jorinde zouden niet misstaan in een yogaklasje.
“Dit is toch idioot”, mopperde Marga verder en draaide de auto een bocht door.
“Rijd maar naar de Venice Bar, waar ligt dat ook al weer?” vroeg Cat achteromkijkend.
Myrthe vouwde haar been onder de mijne vandaan. “Halstraat.”
“Halstraat”, herhaalde Cat langzaam en keek weer voor zich uit.
Marga fronste. “Alsof ik nu moet weten waar dat is.”
“Stop hier eens even”, maande Jorinde. We hielden stil naast een café en Jorinde rolde de auto uit, half struikelend over het uitgestoken been van haar vriendin. Ze rende de kroeg in en wenkte binnen de barman. We zagen haar druk gebaren en even later kwam ze weer naar buiten. “Deze straat uitrijden en dan de eerste rechts, we zijn er vlakbij.” Ze stapte weer in.
Marga parkeerde de auto en eindelijk konden we onze benen even strekken. “Drinken we hier meteen even wat, ik heb dorst”, zei Tamar.
Cat liep voor ons uit de deur van Venice binnen. Het was druk en rokerig. Ik hoefde mijn pakje sigaretten niet eens tevoorschijn te halen om een flinke dosis nicotine naar binnen te kunnen zuigen.
“Zie je bekenden?” vroeg Cat aan Myrthe.
Die keek haar glazig aan. “Lieve schat, ik ben hier nog nooit geweest.”
“Ja maar, herken je mensen van het carnaval in Den Bosch?”
“We zijn in Bre-da.”
Ik moest lachen. We leken ons een beetje te verliezen in de absurditeit.
Cat keek de kroeg rond en schudde haar hoofd. “Laten we inderdaad maar wat naar binnen gieten, anders word ik gek van mezelf.”
We bestelden en bleven in de buurt van de bar staan. Myrthe keek in het rond en nipte van haar borrel cola. Ik wilde juist een opmerking maken over de muziek toen ik zag dat Myrthe’s aandacht werd getrokken door een meisje achterin het lokaal. “Glimp van herkenning?” vroeg ik hoopvol.
Myrthe knikte voorzichtig. “Ik twijfel, maar volgens mij heb ik haar wel eens gezien inderdaad.”
Ik volgde haar ogen en zag een klein blond meisje in spijkerbroek en dito jasje aan het eind van de bar staan. “Nou, ga dan naar haar toe, misschien levert het iets op.”
Myrthe aarzelde. “Ja, maar ik weet niet waarvan ik haar ken. Misschien heb ik in een dronken bui eens met haar staan zoenen.”
“Ziet ze eruit alsof je met haar zou willen zoenen?”
“Nee. Daarom zei ik ook al; in een dronken bui.”
We staarden ongegeneerd naar het meisje. Ik stootte Myrthe aan. “Ga nu naar haar toe, begin een gesprekje, wie weet brengt het ons wel ergens. Bedenk je maar dat je ons een eindeloze rondtoer Breda kunt besparen.”
Myrthe zuchtte diep, zette haar glas op de bar en liep langs ons heen.
“Wat gaat die nu weer doen?” vroeg Marga verbaasd.
“Ons een dienst bewijzen. Hoop ik.”
Cat kwam achter me staan en kuste me zacht in mijn nek. Er trok een heerlijke siddering langs mijn ruggengraat. “Niemand bedreigt mijn meisje”, zei ze zacht in mijn oor. “Al moet ik naar Groningen en weer terug, ik zal ze vinden.”
Ik wist dat ze het meende. Daarom was ik blij dat we iets dichter bij huis waren gebleven.
“Nemen we er nog een?” vroeg Tamar vrolijk. Een overbodige vraag.
Ik probeerde in te schatten hoe het gesprek verliep tussen Myrthe en het meisje achterin. Cat draaide zich naar me om. “Hebben we beet?” vroeg ze, met haar duim in de richting van Myrthe wijzend.
Ik haalde mijn schouders op. “Myrthe misschien”, grapte ik.
Tamar deelde de glazen uit en op dat moment kwam Myrthe teruggelopen. Ze glimlachte. Haar rossige haar danste om haar spitse smoeltje.
“En?” vroegen Cat en ik in koor.
“Ik heb inderdaad met haar gezoend”, lachte ze.
Cat verslikte zich bijna. “Wat, nu net? Sloerie.”
“Nee lekker ding, tijdens carnaval dus.”
Ik trok mijn wenkbrauwen op tot ver boven mijn haargrens. “Was ze met dat groepje van het meisje dat we zoeken?”
“Nee, dat niet, maar ze kent haar wel”, zei Myrthe triomfantelijk. Ze had ineens al onze aandacht. “Ze heet Irma en waarschijnlijk is ze in het Hijgend Hert.”
Ik spuugde mijn Campari terug in het glas. “Hoe?”
Jorinde schaterde. “Klinkt alsof we daar absoluut willen zijn. Wat heb je hier nog meer voor leuks, de Gele Druif?”
“Het is de Blauwe Meloen, trutje”, lachte Tamar.
“Nee joh, de Blauwe Druif”, mengde Marga zich in de onzin. “Maar die is volgens mij in Den Bosch.”
Cat sloeg haar drank in een teug achterover en maakte aanstalten om weg te gaan. “Nah, kom”, spoorde ze ons aan de glazen eveneens snel leeg te drinken, ”als de zon opkomt, wil ik hier weer weg zijn.”
“Want anders verdampen we en vallen onze tanden uit?” vroeg Marga gniffelend aan mij en Myrthe.
Het leek wel of half Breda zich in het Hijgend Hert had verschanst. “Mijn god, zo moeten de joden zich hebben gevoeld, opeengepakt in een wagon op weg naar een of ander kamp”, pufte ik.
“Het hertenkamp?”, deed Jorinde er nog een schepje bovenop.
Tamar gaf ons een por. “Het grootste deel van mijn familie is op transport gezet ja, een beetje meer respect graag.”
Jorinde en ik keken haar beschaamd aan en murmelden iets wat op een excuus leek.
“Hoe ziet ze er uit zei je?” vroeg Cat aan Myrthe. “Ze heeft halflang donker haar, jouw lengte, forse meid wel.” Ze keken het café rond opzoek naar iemand die aan de beschrijving voldeed. “Het is gekkenwerk, dit”, verzuchtte Myrthe.
“Zei ik toch al”, blafte Marga boven de muziek uit.
“Ik ga het maar vragen”, zei Cat uiteindelijk.
“Vragen? Wil je iedereen af gaan om te vragen of ze Irma kennen?” vroeg Marga ongelovig lachend. Ze stootte demonstratief tegen een lange jongen die naast haar zijn biertje stond te drinken. “Hallo, ken jij Irma?”
De knul boog zich iets naar haar toe. “Wablief?”
“Of je Irma kent, je weet wel, Irma uit Breda. Ze schijnt hier nog wel eens te komen.”
“Flinke meid, donker haar, tot hier ongeveer?” hij trok met zijn vrije hand een denkbeeldige streep over zijn sleutelbeen. Marga knikte schaapachtig.
“Ja die ken ik wel. Ik denk namelijk dat je mijn zus bedoelt.”
Onze monden vielen letterlijk open. Cat hervond zich als eerste. “Weet je waar we haar kunnen vinden?”
“Wat willen jullie van haar?” vroeg hij enigszins wantrouwend. Hij keek ons afwachtend aan.
“Ken je Eliza?” vroeg ik vlakbij zijn oor.
De jongen knikte. “Ja, en of ik die ken.”
“Het is heel belangrijk voor me om met je zus te praten.”
Hij boog zich naar me toe. “En het gaat over Eliza?”
Ik knikte.
Hij keek vertwijfeld en stak toen zijn hand naar me uit. Ik schudde die.
“Ik heet Patrick”, zei hij. Ik stelde me eveneens voor.
“We willen alleen maar graag een paar dingen van haar weten”, ging ik verder.
“Valt ze je lastig, Eliza bedoel ik?” vroeg Patrick.
Ik knikte opnieuw. “Ik ben bang van wel.”
Hij tuitte zijn lippen en zette het lege bierglas op de bar naast zich. “Laten we even naar buiten gaan, we kunnen elkaar hier amper verstaan.”
We volgden hem en hielden in voor de deur van het café. Patrick draaide zich naar ons om. “Ik weet niet of ik Irma hiermee wil opzadelen, ze heeft het eindelijk een beetje rustiger nu.”
Cat deed een stap naar voren en ging naast hem staan. “Dat begrijp ik. Maar wat we tot nu toe hebben meegekregen van alle verhalen denk ik dat het helpt zoveel mogelijk te weten te komen over Eliza. En Irma lijkt de enige persoon om een tipje van de sluier op te kunnen lichten.”
Patrick schamperde. “Oh ja, nou ik heb zelf anders ook heel wat met ‘r te stellen gehad. Nog steeds trouwens, alleen heb ik haar de laatste tijd niet meer gezien.”
“Dat kan kloppen”, zei ik, “ze zit in Rotterdam, bij een vriendin van me die geen idee heeft van wat ze zich op de hals heeft gehaald.”
Patrick keek me aan en vernauwde zijn ogen tot spleetjes. “Hoe lang is ze al in Rotterdam?”
“Een paar weken.”
“En de baby?”
We staarden hem allemaal aan alsof we water zagen branden.
“Sorry”, zei Myrthe hoofdschuddend, “welke baby?”
“Nou, onze baby. Eliza is de moeder van mijn kind.”
Zelfs Cat was compleet uit het veld geslagen. Patrick keek ons met grote ogen aan.
Ik stak met trillende handen mijn zoveelste sigaret op.
“Eh...” probeerde Myrthe, maar haar woorden stierven weg in de koude avondlucht.
“Hm”, mompelde Patrick, “Zeker weer bij haar ouders gedumpt.”
Haar ouders. Ineens voelde ik dat de sleutel tot dit alles wel eens heel ergens anders zou kunnen liggen dan waar we tot nu hadden gezocht.
Volgende week zondag meer over Eliza's verleden!