Paringsdans
Dominique | Lesbisch feuilleton | Aflevering 11
Gepubliceerd op: 21 november 2004
Dominique heeft net een heerlijke nacht met nieuwe liefde Cat achter de rug, en gaat weer even bij haar beste vriendin Fiona langs. De twee willen eigenlijk even niet denken aan alle indrukwekkende dingen die de afgelopen tijd zijn voorgevallen.
Cat had die avond een afspraak die ze niet kon verzetten en dus was ik naar Fiona gegaan. Eigenlijk waren allebei onze etentjes niet doorgegaan, al had ik een veel aangenamere reden dan zij. Ik deed haar mijn heerlijke nacht met Cat uit de doeken.
Fiona glunderde. “Als ik het twee mensen gun, zijn jullie het wel.”
We hingen onderuitgezakt op de bank. Plotseling veerde Fiona op. “Weet je wat wij gaan doen? Wij gaan vanavond weer eens ouderwets samen stappen.”
Ik pufte. “Ik weet niet of ik dat nog wel trek.”
“Natuurlijk wel. We zijn nog jong en onverdorven, het nachtleven wacht op ons.”
Ze zag mijn vertwijfelde blik. “Nou ja, alleen jong dan.”
Ik trok een wenkbrauw op en de andere naar beneden.
“Oké, ook niet meer zo piep, maar Do, wij gaan feesten.”
Ze trok me mee naar de slaapkamer, waar haar enorme kledingkast stond, om ons een spetterende outfit aan te meten.
Nou daar stonden we dan. Fiona in een wit kanten body met lange rafels aan de mouwen en een witleren rokje met haar zwartleren laarzen eronder. Ik in een blauw latex topje en dito rokje, met daaronder iets te hoog gehakte lieslaarzen.
Met veel gevoel voor theater, bochtenwerk en aangemoedigd door mijn eigen gekreun wist ik me in haar auto te worstelen.
Fiona had er duidelijk zin in. Het was voor het eerst in maanden dat we weer eens samen gingen stappen.
Voorheen sloeg Fiona geen feest over. Ze grossierde in mislukte relaties en elke teleurstelling diende te worden weggespoeld met veel drank. Wanhopig wil ik het niet direct noemen, maar het zegt iets als het voltallige personeel van elke willekeurige bar in de stad weet bij welke supermarkt je koopt, hoe je bank vloekt bij het behang en op welke macrobiotische bladen je geabonneerd bent.
Toen we de discotheek binnenliepen tetterden de decibellen ons tegemoet. We stonden bij de ingang ons uiterste best te doen om de pakjes sigaretten, aanstekers, geld en autosleutels op te bergen op plekken die we eigenlijk niet hadden. Die sigaretten wilde ik nog wel vasthouden, maar voor de autosleutels kon ik met de beste wil van de wereld tussen al het latex echt geen ruimte reserveren. Fiona trok een gezicht. “Geef maar hier.”
Ze vouwde ze onder haar rokje in haar slipje. Ik trok even een wenkbrauw op, maar kon me wel vinden in die oplossing.
De ene na de andere Campari-jus ging door mijn slokdarm en ik kreeg al snel last van mijn evenwicht. Het werd drie uur, het werd vier uur en vervolgens vijf uur in de ochtend. Ik kon écht niet meer dansen. Zelfs als ik het voorzichtig probeerde zag het eruit alsof ik twee dagen mijn plas had opgehouden. Fiona wankelde ook gevaarlijk op haar hakken en we konden zo door naar de audities voor het Groot Spastisch Orkest.
Ik wilde weg zijn voor de tl-verlichting aan zou floepen. Dit om te voorkomen dat anderen zagen wat ik liever uitstelde tot thuis voor de spiegel.
Ik wist niet welk been ik als eerste richting de uitgang moest zetten. De kans dat ik die niet eens zou halen steeg met elke poging die ik waagde. Ik zag Fiona eveneens tobben. Het idee dat ik degene was die terug moest rijden droeg ook al niet bij aan een gracieuze aftocht. In een uiterste poging de uitgang te bereiken, grepen we elkaar vast en zo schoven we langs afgezakte panty’s en uitgelopen mascara naar de buitendeur.
De parkeergarage was aan het begin van de avond vlak om de hoek, maar het ding was ineens in geen velden of wegen meer te bekennen. De grachten waarlangs we zwalkten waren veel langer geworden en de straatstenen lagen wel héél ver uit elkaar. Zo nu en dan verslikten we ons in een stoeprand en lantaarnpalen wilden maar niet opzij.
Eindelijk kwamen we bij de parkeergarage en in ernstige disbalans bereikten we de auto. Vervolgens wilde het portier niet open. We rukten uit alle macht, maar het ding gaf niet mee. Ook de tweede deur gaf geen krimp en na de vierde wisten we eigenlijk al niet meer wat voor of achter was. We stonden elkaar een moment onnozel aan te kijken. “Iemandz heef je ztuur gejat”, lalde Fiona traag. “Eje uitlaat ook. Eje miztlampen zijn dicht.” Ze boog zich riskant ver voorover. “En je wielen, moeje kijke wazze meje wiele hebbe gedaan, zo kome we nooiz meer tuiz...”.
Ik waggelde een rondje. “Nee joh”, zei ik lijzig, “dazzit allllemaal hierachter.”
Toen we de vuilcontainer, die mijn auto blokkeerde, eindelijk opzij hadden weten te rijden, lukte het me zowaar om in te stappen. Fiona deed er iets langer over en ik kreeg en passant ruzie met mijn gordel.
Fiona friemelde even onder haar rokje en wierp me de autosleutels toe. Het voelde eng glibberig aan en ik vervloekte haar hardop vanwege haar grenzeloze fantasie met betrekking tot ‘handige opbergplaatsen’. Ik wist het ding uiteindelijk in het contact te krijgen.
Met een gevaarlijk ruime bocht bracht ik de auto tot aan de slagboom. Ik draaide het raampje open om het parkeerkaartje in de gleuf te kunnen schuiven. Maar ik kon dat kreng helemaal niet vinden. Ik probeerde te wroeten tussen al het latex, maar dat bleek een onmogelijke opgave.
Fiona zat me slechts schaapachtig aan te kijken. Of stomdronken, dat verschil was niet meer te zien. Langzaam drong het tot me door dat ik de hele avond al iets tussen mijn tenen had voelen snijden. Met een grove, ongecensureerde vloek rolde ik de auto weer uit. Ik moest er bij gaan zitten om mijn laars uit te krijgen, want hinken op een been durfde ik niet aan. Fiona gaf aanwijzingen toen ze zag dat het allemaal niet zo gemakkelijk ging, maar haar gewauwel verstomde toen ik in een reflex mijn been strekte en op die manier het portier dicht trapte. Nu moest ik alleen nog zien op te staan. Ik zette me af tegen de kaartjesslikker en hees mezelf rechtop.
Eenmaal weer in de auto kwam me een walm tegemoet waar de milieudienst een noodverordening voor in het leven zou roepen. Na een keer of vijf mikken wist ik het kaartje in de gleuf te krijgen en konden we eindelijk gaan rijden.
Ik zette de radio zacht aan en hoorde Frank Boeijen zingen over een onbekende weg die hij was heen gegaan. Feest der herkenning; ik wist zelf op dat moment ook niet meer zo goed waar we woonden.
Fiona murmelde iets en ik mompelde terug. In deze toestand deed het er niet meer toe wat er gezegd werd, laat staan dat er naar werd geluisterd.
Door de autoruit tuurde ik de nacht in en slingerde ons de snelweg op. Fiona hing snurkend in de stoel.
Volgende week zondag lees je hoe dit afloopt...
Cat had die avond een afspraak die ze niet kon verzetten en dus was ik naar Fiona gegaan. Eigenlijk waren allebei onze etentjes niet doorgegaan, al had ik een veel aangenamere reden dan zij. Ik deed haar mijn heerlijke nacht met Cat uit de doeken.
Fiona glunderde. “Als ik het twee mensen gun, zijn jullie het wel.”
We hingen onderuitgezakt op de bank. Plotseling veerde Fiona op. “Weet je wat wij gaan doen? Wij gaan vanavond weer eens ouderwets samen stappen.”
Ik pufte. “Ik weet niet of ik dat nog wel trek.”
“Natuurlijk wel. We zijn nog jong en onverdorven, het nachtleven wacht op ons.”
Ze zag mijn vertwijfelde blik. “Nou ja, alleen jong dan.”
Ik trok een wenkbrauw op en de andere naar beneden.
“Oké, ook niet meer zo piep, maar Do, wij gaan feesten.”
Ze trok me mee naar de slaapkamer, waar haar enorme kledingkast stond, om ons een spetterende outfit aan te meten.
Nou daar stonden we dan. Fiona in een wit kanten body met lange rafels aan de mouwen en een witleren rokje met haar zwartleren laarzen eronder. Ik in een blauw latex topje en dito rokje, met daaronder iets te hoog gehakte lieslaarzen.
Met veel gevoel voor theater, bochtenwerk en aangemoedigd door mijn eigen gekreun wist ik me in haar auto te worstelen.
Fiona had er duidelijk zin in. Het was voor het eerst in maanden dat we weer eens samen gingen stappen.
Voorheen sloeg Fiona geen feest over. Ze grossierde in mislukte relaties en elke teleurstelling diende te worden weggespoeld met veel drank. Wanhopig wil ik het niet direct noemen, maar het zegt iets als het voltallige personeel van elke willekeurige bar in de stad weet bij welke supermarkt je koopt, hoe je bank vloekt bij het behang en op welke macrobiotische bladen je geabonneerd bent.
Toen we de discotheek binnenliepen tetterden de decibellen ons tegemoet. We stonden bij de ingang ons uiterste best te doen om de pakjes sigaretten, aanstekers, geld en autosleutels op te bergen op plekken die we eigenlijk niet hadden. Die sigaretten wilde ik nog wel vasthouden, maar voor de autosleutels kon ik met de beste wil van de wereld tussen al het latex echt geen ruimte reserveren. Fiona trok een gezicht. “Geef maar hier.”
Ze vouwde ze onder haar rokje in haar slipje. Ik trok even een wenkbrauw op, maar kon me wel vinden in die oplossing.
De ene na de andere Campari-jus ging door mijn slokdarm en ik kreeg al snel last van mijn evenwicht. Het werd drie uur, het werd vier uur en vervolgens vijf uur in de ochtend. Ik kon écht niet meer dansen. Zelfs als ik het voorzichtig probeerde zag het eruit alsof ik twee dagen mijn plas had opgehouden. Fiona wankelde ook gevaarlijk op haar hakken en we konden zo door naar de audities voor het Groot Spastisch Orkest.
Ik wilde weg zijn voor de tl-verlichting aan zou floepen. Dit om te voorkomen dat anderen zagen wat ik liever uitstelde tot thuis voor de spiegel.
Ik wist niet welk been ik als eerste richting de uitgang moest zetten. De kans dat ik die niet eens zou halen steeg met elke poging die ik waagde. Ik zag Fiona eveneens tobben. Het idee dat ik degene was die terug moest rijden droeg ook al niet bij aan een gracieuze aftocht. In een uiterste poging de uitgang te bereiken, grepen we elkaar vast en zo schoven we langs afgezakte panty’s en uitgelopen mascara naar de buitendeur.
De parkeergarage was aan het begin van de avond vlak om de hoek, maar het ding was ineens in geen velden of wegen meer te bekennen. De grachten waarlangs we zwalkten waren veel langer geworden en de straatstenen lagen wel héél ver uit elkaar. Zo nu en dan verslikten we ons in een stoeprand en lantaarnpalen wilden maar niet opzij.
Eindelijk kwamen we bij de parkeergarage en in ernstige disbalans bereikten we de auto. Vervolgens wilde het portier niet open. We rukten uit alle macht, maar het ding gaf niet mee. Ook de tweede deur gaf geen krimp en na de vierde wisten we eigenlijk al niet meer wat voor of achter was. We stonden elkaar een moment onnozel aan te kijken. “Iemandz heef je ztuur gejat”, lalde Fiona traag. “Eje uitlaat ook. Eje miztlampen zijn dicht.” Ze boog zich riskant ver voorover. “En je wielen, moeje kijke wazze meje wiele hebbe gedaan, zo kome we nooiz meer tuiz...”.
Ik waggelde een rondje. “Nee joh”, zei ik lijzig, “dazzit allllemaal hierachter.”
Toen we de vuilcontainer, die mijn auto blokkeerde, eindelijk opzij hadden weten te rijden, lukte het me zowaar om in te stappen. Fiona deed er iets langer over en ik kreeg en passant ruzie met mijn gordel.
Fiona friemelde even onder haar rokje en wierp me de autosleutels toe. Het voelde eng glibberig aan en ik vervloekte haar hardop vanwege haar grenzeloze fantasie met betrekking tot ‘handige opbergplaatsen’. Ik wist het ding uiteindelijk in het contact te krijgen.
Met een gevaarlijk ruime bocht bracht ik de auto tot aan de slagboom. Ik draaide het raampje open om het parkeerkaartje in de gleuf te kunnen schuiven. Maar ik kon dat kreng helemaal niet vinden. Ik probeerde te wroeten tussen al het latex, maar dat bleek een onmogelijke opgave.
Fiona zat me slechts schaapachtig aan te kijken. Of stomdronken, dat verschil was niet meer te zien. Langzaam drong het tot me door dat ik de hele avond al iets tussen mijn tenen had voelen snijden. Met een grove, ongecensureerde vloek rolde ik de auto weer uit. Ik moest er bij gaan zitten om mijn laars uit te krijgen, want hinken op een been durfde ik niet aan. Fiona gaf aanwijzingen toen ze zag dat het allemaal niet zo gemakkelijk ging, maar haar gewauwel verstomde toen ik in een reflex mijn been strekte en op die manier het portier dicht trapte. Nu moest ik alleen nog zien op te staan. Ik zette me af tegen de kaartjesslikker en hees mezelf rechtop.
Eenmaal weer in de auto kwam me een walm tegemoet waar de milieudienst een noodverordening voor in het leven zou roepen. Na een keer of vijf mikken wist ik het kaartje in de gleuf te krijgen en konden we eindelijk gaan rijden.
Ik zette de radio zacht aan en hoorde Frank Boeijen zingen over een onbekende weg die hij was heen gegaan. Feest der herkenning; ik wist zelf op dat moment ook niet meer zo goed waar we woonden.
Fiona murmelde iets en ik mompelde terug. In deze toestand deed het er niet meer toe wat er gezegd werd, laat staan dat er naar werd geluisterd.
Door de autoruit tuurde ik de nacht in en slingerde ons de snelweg op. Fiona hing snurkend in de stoel.
Volgende week zondag lees je hoe dit afloopt...