Een erg roze kerstverhaal
Deel 1
Gepubliceerd op: 24 december 2005
Het begin
Het was kerstavond, ergens begin negentiende eeuw, in een koude en grijze stad zoals iedereen die wel kent.
In een klein en sober kantoor zat Scrooge de inkomsten van die dag te tellen. Op de gevel van het pand prijkte ‘Scrooge & Marlie’. Marlie was inmiddels al jaren dood, maar zijn naam stond nog altijd op de gevel.
‘Scrooge & Marlie’, zo was de firma bekend en zo zou de firma altijd bekend blijven. Mensen die binnenkwamen, vroegen naar één van beide heren. Soms spraken ze Scrooge zelfs aan als Marlie, waar hij altijd naar luisterde.
Marlie. Het hart van Scrooge klopte nog altijd wat sneller als hij aan hem dacht.
Het was koud binnen. In het kantoor van Scrooge brandde een klein vuur, in het kantoor van de klerk slechts één kooltje. De arme klerk had zijn das omgeslagen en probeerde zijn handen te warmen aan de kaars op zijn bureau. Buiten was het donker, de mensen gingen al naar huis om samen met familie Kerstmis te vieren.
Zo koud als het kantoor van Scrooge was, zo koud was ook zijn hart. Geen bedelaar die er ook maar over nadacht om een aalmoes aan de rijke man te vragen, geen mens die aan hem de weg zou vragen. Scrooge was alleen en op zichzelf aangewezen en dat vond hij eigenlijk wel prima.
De deur ging open. “Goedemiddag oom, vrolijk kerstfeest!”
“Doe die deur dicht! Wil je dat ik het vuur nog hoger moet opstoken om het hier enigszins draaglijk te krijgen?” Was het antwoord van Scrooge. “En kerst is onzin.”
“Ach wat, onzin. Dat meent u toch niet? Niet zo’n mopperaar zijn, oom.”
“Wat kan ik anders zijn, als ik in deze wereld vol gekken moet leven. Als ik het voor het zeggen had, dan zou ik iedere gek die rondloopt met dat ‘vrolijk kerstfeest’ op de lippen, in zijn eigen pudding gaar laten koken en hem laten begraven met een hulsttak in zijn hart. Vier jij kerstmis maar op jouw manier, laat mij het op mijn eigen manier doen.”
“Prima. Maar mag ik u wel uitnodigen om vanavond te komen eten?”
“Uitnodigen mag altijd, maar ik kom niet. Ik vind kerst onzin en dat zal ook zo blijven. Het is geldverspilling. En nu wegwezen. Goedemiddag”
“Goedemiddag en vrolijk kerstfeest!” De neef van Scrooge ging weg.
Ondertussen stond de klerk met vragende ogen bij het bureau van Scrooge.
“Wat moet jij nou weer?”
“Nou, ik euhm, ik vroeg me af of ik morgen vrij kon krijgen. Het is toch Kerstmis, weet u wel.”
“En wie gaat dat betalen? Jij? Nee, dat lijkt me niet.” Scrooge dacht even na. “Nou, vooruit dan, maar dan ben je wel de dag erop extra vroeg aanwezig om de schade in te halen. En nu weer aan het werk!”
“Ja meneer. En dank u wel. Mijn vrouw en kinderen zullen heel erg blij zijn.”
De kerkklok gaf aan dat het tijd was om naar huis te gaan. Scrooge en klerk Bob ruimden de laatste rommel op en sloten af. Bob rende meteen naar huis. Ook Scrooge liep weg. Voordat hij naar huis ging, nam hij nog eerst een maaltijd in zijn favoriete herberg. Het was daar net zo donker en kil als op straat. Buiten hem waren er geen andere klanten aanwezig, maar dat vond hij ook niet erg.
Hij liep naar huis: een kamer die hij al jaren had in een verder leegstaand pand. De kamer had hij gedeeld met Marlie.
Hij stak de sleutel in het slot en wilde de deur opendoen, totdat hij opeens zag dat de klopper op de deur verdacht veel op Marlie leek…
“Dat kan niet. Ik ben moe. Ik verbeeld het me,” zei hij hardop tegen eigenlijk niemand.
De gedachte aan Marlie ontstak een klein vlammetje in zijn hart. Ze hadden toch jarenlang een bedrijf gedeeld, het bedrijf dat Scrooge nog steeds in zijn bezit had. En daarnaast ook buiten de werktijden om, in het geniep, lief en leed met elkaar gedeeld. Hij ging naar binnen, nog steeds in verwarring van wat hij net had gezien, of gezien dácht te hebben. Hij maakte een klein vuur aan en zetelde op zijn stoel. Er rammelde iets op de gang. Hij luisterde nog eens, maar het was weer stil. Vast weer een vergissing.
Maar hij had zich niet vergist. Er rammelde wél wat op de gang en het kwam dichterbij. Hij spitste zijn oren. Het geluid kwam dichterbij. Hij kon nu horen wat het was. Het leken wel rammelende kettingen!
“Scrooooge!” Klonk het opeens.
Hij wilde opstaan om te kijken wat het was, maar zijn ledematen waren verstijfd van angst. Er was iemand zijn huis binnengedrongen! Hij wilde vragen wie dat was, maar meer dan wat gepiep kwam er niet uit zijn keel. “ Scrooooge,” klonk het weer.
Hij kon nu voelen dat er iemand achter hem stond. “Kom tevoorschijn, laat jezelf zien!” Riep hij. Weer rammelden de kettingen. De persoon draaide om hem heen. Scrooge kneep zijn ogen dicht. “Scrooge. Kijk me aan.” Het geluid kwam nu recht van voren. Hij opende voorzichtig zijn ogen. Voor hem stond Marlie, of in ieder geval iets of iemand die eruit zag als Marlie! Dat kan niet, dacht hij. Hij keek nogmaals. De persoon was doorschijnend wit, als rook.
“Wie bent u?” Vroeg Scrooge.
“Ik ben, of nog beter, ik wás Marlie. Ik ben de geest van Marlie en ben hier gekomen om je te waarschuwen.”
“Waarschuwen waarvoor? Waarom? Wat doe, hoe kom je hii..?”
“ Stel niet teveel vragen. Ik ben hier nu slechts om je te waarschuwen. Hóe, dat doet er niet toe. Ik ben er trouwens veel vaker, zonder dat je het merkt.”
Die mededeling zorgde ervoor dat Scrooge zowel verstijfde van angst als zich opvallend ontspande. Marlie was er al die tijd, hij had alles gevolgd.
“Zie je deze kettingen? Ik zal ze tot in de eeuwigheid mee moeten slepen. Deze kettingen heb ik zelf opgebouwd. Jij zal, als je verder gaat zoals je nu leeft, ook de last van zulke kettingen en eeuwige onrust in plaats van rust met je mee moeten dragen. Ik heb de kans gekregen om je te waarschuwen en te helpen. Ik hou van je. Ik wil niet dat je hetzelfde lot ondergaat als ik.”
Scrooge zat nog steeds verstijfd van angst op zijn stoel. “Hoe bedoel je? Waar komen die ketenen vandaan?”
“Die ketenen komen van de last die je in je leven meedraagt. Ik droeg tijdens mijn leven grote lasten, die zich na mijn dood tot ketenen hebben gevormd. Door die ketenen ben ik ook verdoemd tot eeuwige onrust, in plaats van rust. Maar gelukkig kan ik je nu helpen.”
“Hoe wil je me helpen dan? Hoe kan ik van die ketenen afkomen, van die last?”
“Dat is niet eens zo heel erg moeilijk,” was het antwoord van Marlie. “Zorg ervoor dat je wat licht en warmte toelaat in je hart.”
“Maar hoe moet dat dan? Ik ken maar één manier van leven en dat is deze.”
“Er zullen drie geesten naar je toe komen. Vannacht, als de klok één uur slaat, zal de eerste verschijnen. Ook morgen komt, nadat het eerste uur van de middag is aangebroken, een geest naar je toe. De laatste zal in de nacht komen als de klok twaalf keer slaat.” “Kunnen ze niet alledrie tegelijk komen?” Vroeg Scrooge.
“Nee, helaas. Dit is de enige optie die ik je kan geven. Maar ik moet weer gaan.”
“Nee! Nog niet gaan! Blijf nog even… Ik wil met je praten. Ik wil zoveel vertellen...”
“Nee. Ik moet gaan, maar ik kom terug. Dat staat vast. Ik kom terug. En al kun je me dan niet zien, ik zie jou wel en hoor alles wat je tegen me zegt. Laat dat in ieder geval een geruststelling voor je zijn. Probeer alsjeblieft de les te trekken uit wat de geesten je laten zien. Alleen dan kun je verlost worden van de ketenen.” Marlie draaide zich om en liep weg.
“Blijf nog even. Toe, blijf! Blijf, alsjeblieft!” Maar Marlie was verdwenen. Alleen het wegsterven van het gerinkel van de ketenen herinnerde nog aan zijn bezoek. Scrooge ging naar bed en viel meteen in slaap. Het was laat.
Opeens schrok hij wakker. Het was aardedonker. Hij hoorde de kerkklok de kwartieren slaan. Hij bleef wachten op de volgende slagen, die de uren aangeven. 'Bam, bam, bam...'
Scrooge telde het aantal slagen van de klok. Twee, drie, vijf, acht, tien en het ging door tot twaalf slagen. Hij snapte er niets meer van en vroeg zich af of hij de hele kerstdag had doorgeslapen. Toch was hij nog steeds moe en probeerde weer te slapen, totdat hij zich opeens herinnerde wat Marlie had gezegd. “Als de klok één uur slaat, zal de eerste verschijnen.” Hij besloot wakker te blijven.
Het eerste kwartier verstreek. Ook het tweede en derde kwartier verstreken, alleen leken de tussenpozen van de slagen steeds langer te worden. Voor zijn gevoel króóp de tijd vooruit. Uiteindelijk kwam daar de verlossende slag van de kerkklok…
Het was stil, niets te zien, voor zover dat mogelijk was in de duisternis. Ten lange leste sloot hij zijn ogen… en op dat zelfde ogenblik verscheen er een fel licht buiten de bedgordijnen.
Morgen deel 2 van het Erg Roze Kerstverhaal!
Het was kerstavond, ergens begin negentiende eeuw, in een koude en grijze stad zoals iedereen die wel kent.
In een klein en sober kantoor zat Scrooge de inkomsten van die dag te tellen. Op de gevel van het pand prijkte ‘Scrooge & Marlie’. Marlie was inmiddels al jaren dood, maar zijn naam stond nog altijd op de gevel.
‘Scrooge & Marlie’, zo was de firma bekend en zo zou de firma altijd bekend blijven. Mensen die binnenkwamen, vroegen naar één van beide heren. Soms spraken ze Scrooge zelfs aan als Marlie, waar hij altijd naar luisterde.
Marlie. Het hart van Scrooge klopte nog altijd wat sneller als hij aan hem dacht.
Het was koud binnen. In het kantoor van Scrooge brandde een klein vuur, in het kantoor van de klerk slechts één kooltje. De arme klerk had zijn das omgeslagen en probeerde zijn handen te warmen aan de kaars op zijn bureau. Buiten was het donker, de mensen gingen al naar huis om samen met familie Kerstmis te vieren.
Zo koud als het kantoor van Scrooge was, zo koud was ook zijn hart. Geen bedelaar die er ook maar over nadacht om een aalmoes aan de rijke man te vragen, geen mens die aan hem de weg zou vragen. Scrooge was alleen en op zichzelf aangewezen en dat vond hij eigenlijk wel prima.
De deur ging open. “Goedemiddag oom, vrolijk kerstfeest!”
“Doe die deur dicht! Wil je dat ik het vuur nog hoger moet opstoken om het hier enigszins draaglijk te krijgen?” Was het antwoord van Scrooge. “En kerst is onzin.”
“Ach wat, onzin. Dat meent u toch niet? Niet zo’n mopperaar zijn, oom.”
“Wat kan ik anders zijn, als ik in deze wereld vol gekken moet leven. Als ik het voor het zeggen had, dan zou ik iedere gek die rondloopt met dat ‘vrolijk kerstfeest’ op de lippen, in zijn eigen pudding gaar laten koken en hem laten begraven met een hulsttak in zijn hart. Vier jij kerstmis maar op jouw manier, laat mij het op mijn eigen manier doen.”
“Prima. Maar mag ik u wel uitnodigen om vanavond te komen eten?”
“Uitnodigen mag altijd, maar ik kom niet. Ik vind kerst onzin en dat zal ook zo blijven. Het is geldverspilling. En nu wegwezen. Goedemiddag”
“Goedemiddag en vrolijk kerstfeest!” De neef van Scrooge ging weg.
Ondertussen stond de klerk met vragende ogen bij het bureau van Scrooge.
“Wat moet jij nou weer?”
“Nou, ik euhm, ik vroeg me af of ik morgen vrij kon krijgen. Het is toch Kerstmis, weet u wel.”
“En wie gaat dat betalen? Jij? Nee, dat lijkt me niet.” Scrooge dacht even na. “Nou, vooruit dan, maar dan ben je wel de dag erop extra vroeg aanwezig om de schade in te halen. En nu weer aan het werk!”
“Ja meneer. En dank u wel. Mijn vrouw en kinderen zullen heel erg blij zijn.”
De kerkklok gaf aan dat het tijd was om naar huis te gaan. Scrooge en klerk Bob ruimden de laatste rommel op en sloten af. Bob rende meteen naar huis. Ook Scrooge liep weg. Voordat hij naar huis ging, nam hij nog eerst een maaltijd in zijn favoriete herberg. Het was daar net zo donker en kil als op straat. Buiten hem waren er geen andere klanten aanwezig, maar dat vond hij ook niet erg.
Hij liep naar huis: een kamer die hij al jaren had in een verder leegstaand pand. De kamer had hij gedeeld met Marlie.
Hij stak de sleutel in het slot en wilde de deur opendoen, totdat hij opeens zag dat de klopper op de deur verdacht veel op Marlie leek…
“Dat kan niet. Ik ben moe. Ik verbeeld het me,” zei hij hardop tegen eigenlijk niemand.
De gedachte aan Marlie ontstak een klein vlammetje in zijn hart. Ze hadden toch jarenlang een bedrijf gedeeld, het bedrijf dat Scrooge nog steeds in zijn bezit had. En daarnaast ook buiten de werktijden om, in het geniep, lief en leed met elkaar gedeeld. Hij ging naar binnen, nog steeds in verwarring van wat hij net had gezien, of gezien dácht te hebben. Hij maakte een klein vuur aan en zetelde op zijn stoel. Er rammelde iets op de gang. Hij luisterde nog eens, maar het was weer stil. Vast weer een vergissing.
Maar hij had zich niet vergist. Er rammelde wél wat op de gang en het kwam dichterbij. Hij spitste zijn oren. Het geluid kwam dichterbij. Hij kon nu horen wat het was. Het leken wel rammelende kettingen!
“Scrooooge!” Klonk het opeens.
Hij wilde opstaan om te kijken wat het was, maar zijn ledematen waren verstijfd van angst. Er was iemand zijn huis binnengedrongen! Hij wilde vragen wie dat was, maar meer dan wat gepiep kwam er niet uit zijn keel. “ Scrooooge,” klonk het weer.
Hij kon nu voelen dat er iemand achter hem stond. “Kom tevoorschijn, laat jezelf zien!” Riep hij. Weer rammelden de kettingen. De persoon draaide om hem heen. Scrooge kneep zijn ogen dicht. “Scrooge. Kijk me aan.” Het geluid kwam nu recht van voren. Hij opende voorzichtig zijn ogen. Voor hem stond Marlie, of in ieder geval iets of iemand die eruit zag als Marlie! Dat kan niet, dacht hij. Hij keek nogmaals. De persoon was doorschijnend wit, als rook.
“Wie bent u?” Vroeg Scrooge.
“Ik ben, of nog beter, ik wás Marlie. Ik ben de geest van Marlie en ben hier gekomen om je te waarschuwen.”
“Waarschuwen waarvoor? Waarom? Wat doe, hoe kom je hii..?”
“ Stel niet teveel vragen. Ik ben hier nu slechts om je te waarschuwen. Hóe, dat doet er niet toe. Ik ben er trouwens veel vaker, zonder dat je het merkt.”
Die mededeling zorgde ervoor dat Scrooge zowel verstijfde van angst als zich opvallend ontspande. Marlie was er al die tijd, hij had alles gevolgd.
“Zie je deze kettingen? Ik zal ze tot in de eeuwigheid mee moeten slepen. Deze kettingen heb ik zelf opgebouwd. Jij zal, als je verder gaat zoals je nu leeft, ook de last van zulke kettingen en eeuwige onrust in plaats van rust met je mee moeten dragen. Ik heb de kans gekregen om je te waarschuwen en te helpen. Ik hou van je. Ik wil niet dat je hetzelfde lot ondergaat als ik.”
Scrooge zat nog steeds verstijfd van angst op zijn stoel. “Hoe bedoel je? Waar komen die ketenen vandaan?”
“Die ketenen komen van de last die je in je leven meedraagt. Ik droeg tijdens mijn leven grote lasten, die zich na mijn dood tot ketenen hebben gevormd. Door die ketenen ben ik ook verdoemd tot eeuwige onrust, in plaats van rust. Maar gelukkig kan ik je nu helpen.”
“Hoe wil je me helpen dan? Hoe kan ik van die ketenen afkomen, van die last?”
“Dat is niet eens zo heel erg moeilijk,” was het antwoord van Marlie. “Zorg ervoor dat je wat licht en warmte toelaat in je hart.”
“Maar hoe moet dat dan? Ik ken maar één manier van leven en dat is deze.”
“Er zullen drie geesten naar je toe komen. Vannacht, als de klok één uur slaat, zal de eerste verschijnen. Ook morgen komt, nadat het eerste uur van de middag is aangebroken, een geest naar je toe. De laatste zal in de nacht komen als de klok twaalf keer slaat.” “Kunnen ze niet alledrie tegelijk komen?” Vroeg Scrooge.
“Nee, helaas. Dit is de enige optie die ik je kan geven. Maar ik moet weer gaan.”
“Nee! Nog niet gaan! Blijf nog even… Ik wil met je praten. Ik wil zoveel vertellen...”
“Nee. Ik moet gaan, maar ik kom terug. Dat staat vast. Ik kom terug. En al kun je me dan niet zien, ik zie jou wel en hoor alles wat je tegen me zegt. Laat dat in ieder geval een geruststelling voor je zijn. Probeer alsjeblieft de les te trekken uit wat de geesten je laten zien. Alleen dan kun je verlost worden van de ketenen.” Marlie draaide zich om en liep weg.
“Blijf nog even. Toe, blijf! Blijf, alsjeblieft!” Maar Marlie was verdwenen. Alleen het wegsterven van het gerinkel van de ketenen herinnerde nog aan zijn bezoek. Scrooge ging naar bed en viel meteen in slaap. Het was laat.
Opeens schrok hij wakker. Het was aardedonker. Hij hoorde de kerkklok de kwartieren slaan. Hij bleef wachten op de volgende slagen, die de uren aangeven. 'Bam, bam, bam...'
Scrooge telde het aantal slagen van de klok. Twee, drie, vijf, acht, tien en het ging door tot twaalf slagen. Hij snapte er niets meer van en vroeg zich af of hij de hele kerstdag had doorgeslapen. Toch was hij nog steeds moe en probeerde weer te slapen, totdat hij zich opeens herinnerde wat Marlie had gezegd. “Als de klok één uur slaat, zal de eerste verschijnen.” Hij besloot wakker te blijven.
Het eerste kwartier verstreek. Ook het tweede en derde kwartier verstreken, alleen leken de tussenpozen van de slagen steeds langer te worden. Voor zijn gevoel króóp de tijd vooruit. Uiteindelijk kwam daar de verlossende slag van de kerkklok…
Het was stil, niets te zien, voor zover dat mogelijk was in de duisternis. Ten lange leste sloot hij zijn ogen… en op dat zelfde ogenblik verscheen er een fel licht buiten de bedgordijnen.
Morgen deel 2 van het Erg Roze Kerstverhaal!