Geen homo's meer op priesteropleidingen

Gepubliceerd op: 25 november 2005

Geen homo's meer op priesteropleidingen
Het is er hoor: het document waarin het Vaticaan beschrijft wat voortaan het officiële standpunt van de katholieke kerk zal zijn ten aanzien van homoseksuelen en homoseksuele priesters in het bijzonder. De volgende tekst is een onofficiële vertaling van het document dat door het Vaticaan is opgesteld.
 
Samengevat komt het erop neer dat de katholieke kerk voortaan op alle mogelijke manieren zal proberen te voorkomen dat homoseksuelen, of mensen die twijfelen over hun geaardheid, toe kunnen treden tot priesteropleidingen. Homoseksualiteit is niet meer gewenst. Wel roept het document priesters ook op tot het hebben van respect ten aanzien van homoseksuelen.
 
De tekst:
_________________________________
 
Congregatie voor Katholiek Onderwijs 


Instructie betreffende de criteria van toelating betreffende personen met homoseksuele neigingen die toelating overwegen aan het seminarie en aan de Heilige Orden .
 
Inleiding
 
Na het document van het Vaticaan II en, in het bijzonder, het besluit Optatam Totius op priesterlijke vorming, heeft de Congregatie voor Katholiek Onderwijs  verschillende documenten gepubliceerd om een adequate vormingsintegratie van toekomstige priesters te bevorderen, die begeleiding en nauwkeurige normen op verschillende aspecten bieden.
 
Ondertussen overdacht de Synode van Bisschoppen al in 1999 de vorming van priesters onder de huidige omstandigheden. Dit had als bedoeling om vervulling van de conciliaire doctrine te krijgen over het onderwerp en het in de eigentijdse wereld explicieter en duidelijk te maken. Na deze Synode publiceerde Johannes Paulus II het postsynodische apostolische document Pastores Dabo Vobis

Gezien dit document, is het niet de bedoeling van de huidige Instructie om vertraging te geven aan alle vragen van emotionele of seksuele aard die zorgvuldig onderscheidingsvermogen door de gehele periode van de vorming vereisen. Het document bevat normen betreffende een bepaalde – tegenwoordig steeds dringender wordende – vraag, namelijk de toelating of de niet-toelating aan het seminarie en Heilige Orden van kandidaten die diepgewortelde homoseksuele neigingen hebben.
 
I. Emotionele en geestelijke rijpheid. 
 
Volgens de constante traditie van de Kerk, kunnen alleen gedoopte jongens de Heilige Orden ontvangen. Door middel van het sacrament van Orden, vormt de Heilige Geest Jesus-Christus de kandidaat, voor een nieuwe en specifieke rol: de priester. In feite vertegenwoordigt Christus: hoofd, herder en bruidegom van de Kerk. Wegens deze configuratie aan Christus, moet het volledige leven van de heilige priester door het geven van zijn gehele persoon aan de Kerk en met pastorale liefde worden geanimeerd.
 
De kandidaat moet daarom emotionele rijpheid bereiken. Die rijpheid maakt hem bekwaam om de juiste relatie te hebben met mannen en vrouwen, die hem een ware betekenis van geestelijk vaderschap geven, uit de gemeenschap die aan hem wordt toevertrouwd.
 
II. Homoseksualiteit
 
Van Vaticaan II zijn er verscheidene documenten van het Magistraat – en vooral van de Catechese van de kerk - verschenen, die de visie op homoseksualiteit onderschreven. De Catechisatie maakt verschil tussen homoseksueel handelen en homoseksuele neigingen.
 
Over handelingen staat in de Heilige Geschriften dat deze als ernstige zonden worden gezien. De traditie heeft de homoseksuele handelingen altijd als immoreel en tegennatuurlijk gezien. Deze handelingen mogen niet goedgekeurd worden. 
 
Betreffende de diep diepgewortelde homoseksuele neigingen, die bij een bepaald aantal mannen en vrouwen zijn ontdekt: deze zijn ook wanordelijk en vormen vaak een beproeving voor de betreffende mannen en vrouwen. Deze mensen moeten met eerbied worden ontvangen; men zal elk teken van onrechtvaardig onderscheid met betrekking tot hen vermijden. Deze kandidaten worden geroepen om de wil van God in hun leven te realiseren en aan het Offer van God de moeilijkheden te verenigen die zij kunnen ondervinden.
 
Gezien deze leer, acht deze afdeling, in overeenstemming met de Congregatie voor Goddelijke Verering en de Discipline van de Sacramenten, het noodzakelijk duidelijk te bevestigen dat de Kerk – hoewel de kerk eerbied heeft voor deze personen – de personen die uiting geven aan hun homoseksuele neigingen géén toelating geven aan het Seminarie. Hier horen ook alle personen bij die deel uitmaken van de zogenaamde ‘homogemeenschap’.
 
De bovengenoemde personen bevinden zich in feite in een situatie die een juiste manier om mannen en vrouwen met elkaar in verband te brengen, ernstig belemmert. De negatieve gevolgen die voortkomen uit de Ordinantie van personen met diepgewortelde homoseksuele gevoelens, mogen echter op geen enkele wijze genegeerd worden.
 
Als men echter homoseksuele gevoelens heeft die eenvoudig voortkomen uit een probleem van voorbijgaande aard, zoals bijvoorbeeld een nog niet volledige adolescentie, moeten dergelijke tendensen minstens drie jaar vóór ordening aan diaconaat worden overwonnen.
 
III. Onderscheid door de kerk
 
Het priesterschap bestaat uit twee delen: de gift van God en de verantwoordelijke vrijheid van de man. De roeping is een gift van goddelijke gunst, die door de Kerk, in de Kerk en in dienst van de Kerk wordt ontvangen. Antwoordend aan deze vraag van God, biedt de man Hem zijn liefde. De wens om priester te worden is niet genoeg om het Ordinaat te ontvangen. Het is de plicht van de Kerk – in Haar verantwoordelijkheid om de noodzakelijke, door Christus ingestelde, vereisten voor de ontvangst van de Sacramenten te bepalen – om de kwalificaties van een ieder die het seminarie in wil gaan te toetsen en de kandidaten bij te staan tijdens de vormingsjaren tot het uitspreken van de Heilige Orden, als de kandidaten de kwalificaties die vereist zijn, bezitten.
 
De vorming van toekomstige priesters moet, in een essentie, de vier onderdelen van vorming onderschrijven: menselijk, spiritueel, intellectueel, en pastoraal. In deze context is het noodzakelijk om het bijzondere belang van de menselijke vorming extra te belichten: die menselijke vorming vormt de basis van al het andere. Om een kandidaat aan de orde van het diaconaat toe te laten, moet de Kerk bevestigen dat de kandidaat onder andere voldoende emotionele rijpheid heeft bereikt voor het priesterschap.

Het uitspreken van de Orde is de persoonlijke verantwoordelijkheid van de Bisschop of een hogere verantwoordelijke. Doordat het advies van de Bisschop of andere verantwoordelijke bindend is, moeten deze, voordat ze een kandidaat toelaten, een bepaald zicht hebben op hun morele kwaliteiten. Als er sprake is van enige twijfel, mag de kandidaat niet worden toegelaten.
 
Het oordeel over de roeping en de rijpheid van de kandidaat is ook een verantwoordelijkheid van de rector en de andere leraren van seminarie. Vóór elke ordening moet de rector over de kwaliteit die door de kerk wordt vereist, zijn oordeel over de kandidaat geven.
 
In de onderscheiding van kwalificatie voor Ordening, ligt er een verplichting voor de geestelijk directeur. Ondanks dat hij geheimhoudingsplicht heeft, vertegenwoordigt hij de Kerk in het interne forum. In vergaderingen met de kandidaat, moet de geestelijke directeur de eisen op het gebied van het celibatair en de emotionele rijpheid van een priester die de kerk vereist verifiëren. Ook moet hij hem helpen zich te ontwikkelen als hij die noodzakelijke kwaliteiten heeft. Hij heeft de verplichting om alle kwaliteiten van de persoonlijkheid te beoordelen en na te gaan of de kandidaat geen seksuele problemen heeft die onverenigbaar zijn met het priesterschap.
 
Als een kandidaat homoseksuele neigingen of diep diepgewortelde homoseksuele tendensen heeft, moet zijn geestelijke directeur hem afraden om verder te gaan met het Ordinaat.
 
Het is duidelijk dat de kandidaat zelf de grootste verantwoordelijkheid draagt over zijn eigen vorming. Hij moet zichzelf en zijn geloof geven aan de kerk, de bisschop, de rector van het Seminarie, de spiritueel directeur en alle andere docenten van het seminarie. Het zou oneerlijk zijn als een kandidaat zijn eigen homoseksualiteit moest verbergen, zo niet zijn hele identiteit, om toegelaten te worden. Zo’n houding beantwoordt niet aan de geest van waarheid, trouw en beschikbaarheid, wat toch de kenmerken zijn van de persoonlijkheid van iemand die wordt geroepen door Christus en zijn kerk.
 
Conclusie
 
Deze Congregatie bevestigt dat de bisschoppen, hun superieuren en alle anderen die meedragen in de verantwoordelijkheid wat de kwalificatie van kandidaten van de heilige opdracht betreft, van de eerste toelating tot het seminarie tot het Ordinaat. Deze kwalificatie moet gebeuren in het licht van het onderwijs van de Kerk.
 
De Bisschoppen, de Bisschoppelijke Conferenties en hun Superieuren moeten waakzaam zijn op de normen van deze instructie voor het bestwil van de kandidaten zelf, zodat er altijd de garantie is op goede priesters en  waardige pastoors in overeenstemming met het Hart van Christus.
 
Benedict XVI, 31 augustus 2005, keurde deze instructie goed en gaf opdracht tot publicatie.
 
Rome, 4 november 2005, Herdenking van Heilige Charles Borromeo, Patroon van Seminaries
 
-HoofdZenon Grocholewski, Prefect
-Aartsbisschop J. Michael Miller, CSB; Secretaris