Een erg roze kerstverhaal
Deel 2
Gepubliceerd op: 25 december 2005
Scrooge, een oude vrek, heeft een ontmoeting gehad met de geest van Marlie, zijn oude zakenpartner. Marlie waarschuwde Scrooge dat hij hetzelfde lot zou ondergaan als hij, als hij zijn leven niet zou beteren. Scrooge is daarna naar bed gegaan en op het moment dat hij wilde gaan slapen, scheen er ineens een fel licht.
Het gaat verder
“Scrooooge,” galmde een diepe, kalme mannenstem. Scrooge verstijfde van angst. Dit kon niet waar zijn! Hij droomde. Marlie was hier nooit geweest en hij had zijn naam net ook niet gehoord.
“Scrooooge…” Klonk het weer. Ergens wist hij wel wat het was. Dit was de eerste van de drie geesten die hem zou gaan bezoeken. De bedgordijnen werden opzij geschoven. Scrooge dook bevend als een klein kind onder de dekens. Hij wilde niet meer zien wat er gebeurde.
“Scroooooge?” Het klonk nu een stuk indringender dan de eerste twee keer. Heel langzaam schoof hij de deken naar beneden, maar kijken durfde hij nog niet.
“Wie bent u? Bent u de eerste geest die mij zal bezoeken?”
“Dat ben ik,” was het antwoord. “Ik ben de geest van de voorbije kersten.”
“Wat wilt u van me??”
“ Ik wil dat je met me meekomt. Vertrouw me maar.”
Scrooge draaide zich om. Hij kon zijn ogen niet geloven. Voor hem stond een vrouw in een prachtige jurk, doorschijnend wit. Maar toen hij nog een keer keek, zag hij duidelijk mannelijke trekken in het gezicht, dat zwaar was opgemaakt. En dan die stem! Hij kon er niet meer bij!
“Ik zal je meenemen langs de voorbije kersten, naar de tijd dat ook jij Kerstmis nog bijzonder vond. Maar we moeten opschieten. Ik heb niet veel tijd. Ga met me mee.”
Op dat ogenblik werd Scrooge bij de arm gegrepen en uit bed gesleurd. Hij kon nog net zijn pantoffels aandoen voordat hij viel.
“Wat is dit, waar gaan we heen? Pas op, ik kan doodvallen.”
“Vertrouw me maar,” was het simpele antwoord. En: “Heb jij toevallig een spiegel bij je? Ik moet even mijn make-up checken.”
“Wat denk je zelf?” Zei Scrooge, enigszins geïrriteerd. “Wat denk je nou zelf. Wat ik bij me heb, heb ik aan, meer niet.”
“Dat is dan wel een probleem. Kun jij me niet vertellen of alles nog een beetje goed zit?”
“Nou, euhm, tja… Ik heb geen idee. Ik heb op deze manier nog nooit iemand bestudeerd. Zeker geen vrouw.”
“Ik ben geen vrouw! Nou ja. Nu dan wel, maar niet altijd.”
Met een plof landde Scrooge in de zachte sneeuw. De geest bleef enkele centimeters boven de grond zweven. Scrooge klopte zichzelf een beetje af. Tot zijn verbazing was de sneeuw niet koud en nat, zoals anders, maar droog en warm. De plek waar ze waren, kwam hem zeer bekend voor. Het was zijn oude school, waar hij als kind zo veel tijd had doorgebracht. In het lokaal zat een jongetje aan zijn tafel, diep verzonken in een boek. Scrooge herkende zichzelf. Niet veel later verscheen er opeens een charmante man in stijlvolle kleren in beeld.
“Dat is Von Trapp!” Riep Scrooge verrukt. “Dat is mijn eigen goede oude Von Trapp! Ik weet het weer. Dit was de eerste kerst dat ik eenzaam was. Eenzaam en verlaten. Toen verscheen hij voor het eerst.”
Er verschenen nog meer figuren uit verhalen, allemaal precies zo als Scrooge zich herinnerde. Zo blij als een kind stond de oude Scrooge te dansen in de sneeuw. Opeens stond hij stil en er rolde een traan over zijn wang. Eén enkele traan... “Ik zou willen... Er stond gister een kind aan mijn deur een kerst lied te zingen. Ik heb hem weggestuurd. Ik zou willen dat ik die arme jongen toch wat had gegeven. Maar nu is het te laat.”
“Geen tijd voor sentimenteel gedoe hier. We moeten verder, er zijn nog zo ontzettend veel verloren kerstherinneringen.”
De omgeving vervaagde, de grond verdween onder de voeten van Scrooge. Niet veel later stonden ze voor een gebouw dat Scrooge maar al te goed kende. Het was de winkel van de oude leermeesters, meneer en meneer Faggywig.
“Waarom zijn we hier? Zijn hier kerstherinneringen te vinden?”
“Wacht maar af.”
De deur van de winkel ging open en de geest ging naar binnen. Scrooge volgde. Binnen zag hij zichzelf als jongeman. Samen met een andere jongen waren ze druk bezig al het meubilair in de winkel aan de kant te schuiven.
“Oh ja, ik weet het weer! Dit was op kerstavond. De oude Faggywigs gaven toen een feest hier. Die goed oude tijd hier en mijn maatje Dick. Wat hadden we een lol samen!”
De gedachte aan Dick voerde hem jaren terug. Dick was de eerste jongen bij wie Scrooge kon zijn wie hij was.
Ze hadden samen een slaapplaats, onder de toonbank. Die plek was geboren uit nood. Ooit was er ’s nachts ingebroken en sindsdien wilden de Faggywigs dat de winkel constant bemand was.
De deur sloeg weer open en een vioolspeler stapte kordaat binnen. Hij ging achter de lessenaar staan en sloeg zijn muziekboek open. Toen kwamen ook de Faggywigs binnen. Niet veel later volgden de dorpsstylist, de kapper, een groot aantal meisjes en nog vele anderen. Na een uitgebreide begroeting liep iedereen naar de keuken. Niet veel later kwam de één na de ander terug met prachtig opgemaakte schalen vol met eten.
De vioolspeler stemde zijn viool, kuchte en begon te spelen. De oude Faggywigs liepen naar het midden van de winkel, bogen en begonnen te dansen. Niet veel later stroomde de dansvloer vol met vrolijk rondzwierende paren.
Om klokslag elf uur was het feest opeens afgelopen. Iedereen ging weer naar huis. “Wat een feest was dat,” verzuchtte de oude Scrooge. “Zoveel moeite en geld voor zo’n korte tijd. Ik snap het niet. Waarom geeft iemand een paar ponden uit om een paar mensen bezig te houden en wat lof te ontvangen?”
“Het zijn maar een paar van de vele ponden die de Faggywigs bezaten. Ze hebben dat kleine deel van hun bezit over om anderen een fijne tijd te geven. Als zij er niet meer zijn, gaat het geld nergens heen. Geld is vergankelijk, het blijft niet voor eeuwig. Een herinnering wel. Die is er voor de rest van iemands leven. Maar we moeten opschieten, we moeten weg zijn voordat mijn mascara uitloopt.” En de omgeving vervaagde weer.
Scrooge werd misselijk bij de overgangen en sloot zijn ogen. Toen hij ze weer open deed, stond hij in zijn eigen slaapkamer. De bedgordijnen waren gesloten. Hij hoorde een zacht gekreun. Het was Marlie. “Ebeneezer, Ebeneezer. Waar ben je? Kom bij me, kom hierheen.”
“Ik ben hier Marlie, ik ben er!” zei de oude Scrooge, maar op dat moment realiseerde hij zich dat dit slechts herinneringen waren. Dat de personen hem niet konden zien of horen. Hij wist wat dit was. Dit was toen Marlie stierf in hun eigen slaapkamer. Hij was er niet. Hij had hem doodziek achtergelaten in bed en naar de zaak gegaan. Hij was er gewoon niet geweest. Hij vond op dat moment geld belangrijker dan zijn partner, zijn metgezel, zijn alles. “Haal me hier weg. Ik kan dit niet meer aanzien. Haal me hier weg, alstublieft!” Schreeuwde Scrooge naar de geest. De omgeving vervaagde weer.
Toen Scrooge zijn ogen opendeed lag hij in zijn eigen bed. Alleen. Hij viel direct in slaap.
De volgende dag werd Scrooge pas om tien uur wakker. Hij baalde omdat hij zich verslapen had. Hij bleef nog even in bed liggen om de afgelopen nacht te overdenken. Het was maar een droom geweest, was de conclusie. Het was maar een droom en verder niets.
Hij keek nogmaals op de klok. Die stond opeens op vijf voor één. “Hoe kan dat, wat is er gebeurd?” Scrooge realiseerde zich dat hij óf nog steeds aan het slapen was en in een droom ontwaakte óf gek aan het worden was. Maar ergens diep van binnen wist hij dat dit allemaal echt gebeurde. De klok sloeg één maal. Nog geen seconde daarna schalde een vrolijke stem door de kamer.
“Hallohoo! Is daar iemand? Is daar iemand die ik op sleeptouw mag nemen?”
“Bent u de tweede van de drie geesten?”
“Jazeker, dat ben ik. Ik ben de geest van het heden, van deze kerst. Ik zal u op reis nemen naar hoe de kerst nú wordt gevierd, op allerlei verschillende plekken, scheet.”
“Welke plekken zijn dat?” vroeg Scrooge.
“Dat zou je wel willen weten hè, nieuwsgierig Aagje dat je bent. Nou, niets daarvan hoor. Niets daarvan. Nee, ik neem je mee, je vertouwt me maar en anders niet. Maar schiet nou eens op. Heb je slakken gegeten ofzo?”
“Wat?”
“Of je slakken hebt gegeten. Nou kom op. Schiet op. We moeten verder.” De geest trippelde in sneltreinvaart om Scrooge heen, in vrolijk gekleurde kleren met allerlei vrolijke teksten er op.
De omgeving vervaagde weer. Scrooge begon nu enigszins gewend te raken aan deze manier van reizen, hoewel het veel comfortabeler kon. Ze stonden voor een huis dat Scrooge niet zo goed kende. Het lag aan een donker grachtje met aan weerszijden een weggetje dat slecht was onderhouden, vol kuilen, met smalle stoepen en weinig ruimte. Toch stonden er veel huizen.
“Hier woont je klerk Bob, samen met zijn vrouw en kinderen. Hier zullen zij samen het kerstfeest doormaken. Wil je niet even binnen kijken?”
Scrooge maakte aanstalten om de trap voor het huis op te lopen.
“Ja, daar wonen ook wat gezinnen, maar hieronder woont je klerk. In het souterrain.”
“Waarom woont hij in een kelder tussen de ratten? Ik betaal hem toch genoeg om een goede kamer te huren?”
“Je betaalt hem inderdaad genoeg om een kamer te huren. Maar Bob moet niet alleen zichzelf voeden. Híj heeft een vrouw en kinderen en die hebben allemaal hongerige magen.”
Scrooge liep de trap af en keek door het raam naar binnen. Hij kon zijn ogen niet geloven…
Wat zag Scrooge? Lees het morgen!
Het gaat verder
“Scrooooge,” galmde een diepe, kalme mannenstem. Scrooge verstijfde van angst. Dit kon niet waar zijn! Hij droomde. Marlie was hier nooit geweest en hij had zijn naam net ook niet gehoord.
“Scrooooge…” Klonk het weer. Ergens wist hij wel wat het was. Dit was de eerste van de drie geesten die hem zou gaan bezoeken. De bedgordijnen werden opzij geschoven. Scrooge dook bevend als een klein kind onder de dekens. Hij wilde niet meer zien wat er gebeurde.
“Scroooooge?” Het klonk nu een stuk indringender dan de eerste twee keer. Heel langzaam schoof hij de deken naar beneden, maar kijken durfde hij nog niet.
“Wie bent u? Bent u de eerste geest die mij zal bezoeken?”
“Dat ben ik,” was het antwoord. “Ik ben de geest van de voorbije kersten.”
“Wat wilt u van me??”
“ Ik wil dat je met me meekomt. Vertrouw me maar.”
Scrooge draaide zich om. Hij kon zijn ogen niet geloven. Voor hem stond een vrouw in een prachtige jurk, doorschijnend wit. Maar toen hij nog een keer keek, zag hij duidelijk mannelijke trekken in het gezicht, dat zwaar was opgemaakt. En dan die stem! Hij kon er niet meer bij!
“Ik zal je meenemen langs de voorbije kersten, naar de tijd dat ook jij Kerstmis nog bijzonder vond. Maar we moeten opschieten. Ik heb niet veel tijd. Ga met me mee.”
Op dat ogenblik werd Scrooge bij de arm gegrepen en uit bed gesleurd. Hij kon nog net zijn pantoffels aandoen voordat hij viel.
“Wat is dit, waar gaan we heen? Pas op, ik kan doodvallen.”
“Vertrouw me maar,” was het simpele antwoord. En: “Heb jij toevallig een spiegel bij je? Ik moet even mijn make-up checken.”
“Wat denk je zelf?” Zei Scrooge, enigszins geïrriteerd. “Wat denk je nou zelf. Wat ik bij me heb, heb ik aan, meer niet.”
“Dat is dan wel een probleem. Kun jij me niet vertellen of alles nog een beetje goed zit?”
“Nou, euhm, tja… Ik heb geen idee. Ik heb op deze manier nog nooit iemand bestudeerd. Zeker geen vrouw.”
“Ik ben geen vrouw! Nou ja. Nu dan wel, maar niet altijd.”
Met een plof landde Scrooge in de zachte sneeuw. De geest bleef enkele centimeters boven de grond zweven. Scrooge klopte zichzelf een beetje af. Tot zijn verbazing was de sneeuw niet koud en nat, zoals anders, maar droog en warm. De plek waar ze waren, kwam hem zeer bekend voor. Het was zijn oude school, waar hij als kind zo veel tijd had doorgebracht. In het lokaal zat een jongetje aan zijn tafel, diep verzonken in een boek. Scrooge herkende zichzelf. Niet veel later verscheen er opeens een charmante man in stijlvolle kleren in beeld.
“Dat is Von Trapp!” Riep Scrooge verrukt. “Dat is mijn eigen goede oude Von Trapp! Ik weet het weer. Dit was de eerste kerst dat ik eenzaam was. Eenzaam en verlaten. Toen verscheen hij voor het eerst.”
Er verschenen nog meer figuren uit verhalen, allemaal precies zo als Scrooge zich herinnerde. Zo blij als een kind stond de oude Scrooge te dansen in de sneeuw. Opeens stond hij stil en er rolde een traan over zijn wang. Eén enkele traan... “Ik zou willen... Er stond gister een kind aan mijn deur een kerst lied te zingen. Ik heb hem weggestuurd. Ik zou willen dat ik die arme jongen toch wat had gegeven. Maar nu is het te laat.”
“Geen tijd voor sentimenteel gedoe hier. We moeten verder, er zijn nog zo ontzettend veel verloren kerstherinneringen.”
De omgeving vervaagde, de grond verdween onder de voeten van Scrooge. Niet veel later stonden ze voor een gebouw dat Scrooge maar al te goed kende. Het was de winkel van de oude leermeesters, meneer en meneer Faggywig.
“Waarom zijn we hier? Zijn hier kerstherinneringen te vinden?”
“Wacht maar af.”
De deur van de winkel ging open en de geest ging naar binnen. Scrooge volgde. Binnen zag hij zichzelf als jongeman. Samen met een andere jongen waren ze druk bezig al het meubilair in de winkel aan de kant te schuiven.
“Oh ja, ik weet het weer! Dit was op kerstavond. De oude Faggywigs gaven toen een feest hier. Die goed oude tijd hier en mijn maatje Dick. Wat hadden we een lol samen!”
De gedachte aan Dick voerde hem jaren terug. Dick was de eerste jongen bij wie Scrooge kon zijn wie hij was.
Ze hadden samen een slaapplaats, onder de toonbank. Die plek was geboren uit nood. Ooit was er ’s nachts ingebroken en sindsdien wilden de Faggywigs dat de winkel constant bemand was.
De deur sloeg weer open en een vioolspeler stapte kordaat binnen. Hij ging achter de lessenaar staan en sloeg zijn muziekboek open. Toen kwamen ook de Faggywigs binnen. Niet veel later volgden de dorpsstylist, de kapper, een groot aantal meisjes en nog vele anderen. Na een uitgebreide begroeting liep iedereen naar de keuken. Niet veel later kwam de één na de ander terug met prachtig opgemaakte schalen vol met eten.
De vioolspeler stemde zijn viool, kuchte en begon te spelen. De oude Faggywigs liepen naar het midden van de winkel, bogen en begonnen te dansen. Niet veel later stroomde de dansvloer vol met vrolijk rondzwierende paren.
Om klokslag elf uur was het feest opeens afgelopen. Iedereen ging weer naar huis. “Wat een feest was dat,” verzuchtte de oude Scrooge. “Zoveel moeite en geld voor zo’n korte tijd. Ik snap het niet. Waarom geeft iemand een paar ponden uit om een paar mensen bezig te houden en wat lof te ontvangen?”
“Het zijn maar een paar van de vele ponden die de Faggywigs bezaten. Ze hebben dat kleine deel van hun bezit over om anderen een fijne tijd te geven. Als zij er niet meer zijn, gaat het geld nergens heen. Geld is vergankelijk, het blijft niet voor eeuwig. Een herinnering wel. Die is er voor de rest van iemands leven. Maar we moeten opschieten, we moeten weg zijn voordat mijn mascara uitloopt.” En de omgeving vervaagde weer.
Scrooge werd misselijk bij de overgangen en sloot zijn ogen. Toen hij ze weer open deed, stond hij in zijn eigen slaapkamer. De bedgordijnen waren gesloten. Hij hoorde een zacht gekreun. Het was Marlie. “Ebeneezer, Ebeneezer. Waar ben je? Kom bij me, kom hierheen.”
“Ik ben hier Marlie, ik ben er!” zei de oude Scrooge, maar op dat moment realiseerde hij zich dat dit slechts herinneringen waren. Dat de personen hem niet konden zien of horen. Hij wist wat dit was. Dit was toen Marlie stierf in hun eigen slaapkamer. Hij was er niet. Hij had hem doodziek achtergelaten in bed en naar de zaak gegaan. Hij was er gewoon niet geweest. Hij vond op dat moment geld belangrijker dan zijn partner, zijn metgezel, zijn alles. “Haal me hier weg. Ik kan dit niet meer aanzien. Haal me hier weg, alstublieft!” Schreeuwde Scrooge naar de geest. De omgeving vervaagde weer.
Toen Scrooge zijn ogen opendeed lag hij in zijn eigen bed. Alleen. Hij viel direct in slaap.
De volgende dag werd Scrooge pas om tien uur wakker. Hij baalde omdat hij zich verslapen had. Hij bleef nog even in bed liggen om de afgelopen nacht te overdenken. Het was maar een droom geweest, was de conclusie. Het was maar een droom en verder niets.
Hij keek nogmaals op de klok. Die stond opeens op vijf voor één. “Hoe kan dat, wat is er gebeurd?” Scrooge realiseerde zich dat hij óf nog steeds aan het slapen was en in een droom ontwaakte óf gek aan het worden was. Maar ergens diep van binnen wist hij dat dit allemaal echt gebeurde. De klok sloeg één maal. Nog geen seconde daarna schalde een vrolijke stem door de kamer.
“Hallohoo! Is daar iemand? Is daar iemand die ik op sleeptouw mag nemen?”
“Bent u de tweede van de drie geesten?”
“Jazeker, dat ben ik. Ik ben de geest van het heden, van deze kerst. Ik zal u op reis nemen naar hoe de kerst nú wordt gevierd, op allerlei verschillende plekken, scheet.”
“Welke plekken zijn dat?” vroeg Scrooge.
“Dat zou je wel willen weten hè, nieuwsgierig Aagje dat je bent. Nou, niets daarvan hoor. Niets daarvan. Nee, ik neem je mee, je vertouwt me maar en anders niet. Maar schiet nou eens op. Heb je slakken gegeten ofzo?”
“Wat?”
“Of je slakken hebt gegeten. Nou kom op. Schiet op. We moeten verder.” De geest trippelde in sneltreinvaart om Scrooge heen, in vrolijk gekleurde kleren met allerlei vrolijke teksten er op.
De omgeving vervaagde weer. Scrooge begon nu enigszins gewend te raken aan deze manier van reizen, hoewel het veel comfortabeler kon. Ze stonden voor een huis dat Scrooge niet zo goed kende. Het lag aan een donker grachtje met aan weerszijden een weggetje dat slecht was onderhouden, vol kuilen, met smalle stoepen en weinig ruimte. Toch stonden er veel huizen.
“Hier woont je klerk Bob, samen met zijn vrouw en kinderen. Hier zullen zij samen het kerstfeest doormaken. Wil je niet even binnen kijken?”
Scrooge maakte aanstalten om de trap voor het huis op te lopen.
“Ja, daar wonen ook wat gezinnen, maar hieronder woont je klerk. In het souterrain.”
“Waarom woont hij in een kelder tussen de ratten? Ik betaal hem toch genoeg om een goede kamer te huren?”
“Je betaalt hem inderdaad genoeg om een kamer te huren. Maar Bob moet niet alleen zichzelf voeden. Híj heeft een vrouw en kinderen en die hebben allemaal hongerige magen.”
Scrooge liep de trap af en keek door het raam naar binnen. Hij kon zijn ogen niet geloven…
Wat zag Scrooge? Lees het morgen!