Kijk | Homo in bezet Nederland & Dodenherdenking
Toespraak Klaus Müller | Reportage MVS Media
Gepubliceerd op: 23 mei 2006
Homovervolging was de afgelopen weken een veelbesproken onderwerp.
Zo was er de Dodenherdenking op 4 mei, bij het homomonument in Amsterdam, waar werd stilgestaan bij vervolgde en gediscrimineerde homoseksuelen. Daarnaast was er ook de opening van de tentoonstelling 'Wie kan ik nog vertrouwen? Homoseksueel in Nazi-Duitsland en bezet Nederland' in kamp Westerbork, door politica Ayaan Hirsi Ali.
De hedendaagse Dodenherdenking en onderzoek naar de vervolging van homoseksuelen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog... Het zijn twee feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, maar die ook los van elkaar een rol spelen in de huidge maatschappij.
Homo in bezet Nederland
De tentoonstelling mag dan geopend zijn, onderzoekers moeten eigenlijk nog pas beginnen met het documenteren van wat er allemaal gebeurd is tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Zo was er afgelopen vrijdag een studiedag in Kamp Westerbork, om voorlopige resultaten te bespreken van verschillende onderzoeken die lopen op het gebied van homovervolging en homoseksualiteit ten tijde van bezet Nederland.
'Vertrouwen schaars goed'
Eén van de sprekers tijdens die studiedag was Klaus Müller, onder andere samensteller van de eerder genoemde tentoonstelling in Kamp Westerbork.
Müllers toespraak was fel. Hij bekritiseerde in zijn toespraak onder meer negen homowetenschappers die Ayaan Hirsi Ali bij voorbaat het spreken onmogelijk hadden willen maken bij wat achteraf haar laatste publieke optreden als lid van de Tweede Kamer zou blijken te zijn (de opening van de tentoonstelling).
Toespraak & reportage
"Vertrouwen is een schaars goed geworden in Nederland", zei Müller. Hoewel er protest klonk tijdens zijn toespraak, ging hij door en ontving een luid applaus aan het eind van zijn betoog.
De volledige toespraak van Klaus Müller is hieronder te lezen. Aansluitend bij dit onderwerp plaatsen we hiernaast de reportage die onze collega's van MVS Media uit Amsterdam maakten tijdens de Dodenherdenking bij het homomonument, op 4 mei van dit jaar.
Lees Müllers toespraak hieronder, bekijk de MVS-reportage via de links in de kolom hiernaast (bovenaan).
Wie de tekst van de toespraak te lang vindt, kan de tekst ook knippen en plakken in een tekstverwerkingsdocument en deze zo printen. Let wel: ©tekst: Klaus Müller.
_____________________________________________
Toespraak Klaus Müller
Herinneringskamp Westerbork
19 mei 2006
"'Wat voor de één een anekdote is, is voor de ander bittere realiteit. Hoeveel anekdotes hebben we nodig?', vroeg Ayaan Hirsi Ali bij de opening van de tentoonstelling op 21 april.
Haar vraag raakt de kern van de tentoonstelling: hoe begrijpen wij de onderdrukking van een groep zonder individuele verhalen en hoe kunnen wij via deze verhalen tot een oordeel komen over het verleden en over het heden?
De tentoonstelling Wie kan ik nog vertrouwen? Homoseksueel in Nazi-Duitsland en bezet Nederland toont het leven van lesbische vrouwen en homoseksuele mannen in Duitsland en Nederland tussen 1933 en 1945, met als zwaartepunt hun vervolging en verzet.
Het is de eerste keer voor Nederland dat deze ‘zwarte bladzijde van de homogeschiedenis’ zo duidelijk op de kaart wordt gezet in een expositie.
De tentoonstelling laat zien hoe het individu in een totalitaire staat onder druk komt te staan en hoe een medeplichtige maatschappij verregaand bijdraagt aan deze druk. De reductie van het individu tot een categorie, in dit geval tot de categorie ‘homoseksueel’, is het uitgangspunt van een totalitaire staat en van totalitaire denkbeelden – toen en nu.
De tentoonstelling berust mede op twee boeken onder mijn redactie. Het eerste is het in oktober 2005 gepubliceerde Doodgeslagen, doodgezwegen dat recent onderzoek naar de vervolging van homoseksuelen door het naziregime in Duitsland en bezette gebieden zoals Nederland presenteert.
Het boek gaat tegen heersende mythes in de gevestigde geschiedschrijving in, zoals bijvoorbeeld de onderstelling dat veel documentatie die een reconstructie mogelijk zou maken van de nazivervolging van homoseksuelen, vernietigd was.
In werkelijkheid had men de beschikbare bronnen nog nauwelijks bekeken vanwege een gebrek aan interesse in het thema, onvoldoende geld om onderzoek te doen en een tekortschietend inzicht in de waarde van het materiaal.
In de laatste vijftien jaar is dit veranderd. Toch is het omvangrijke regionale en lokale archiefonderzoek in Duitsland en Nederland, evenals het lopende onderzoek in andere Europese landen, nog niet geïntegreerd in de Nederlandse en internationale historiografie van de holocaust en het nationaalsocialisme.
Daardoor komt de nazivervolging van homoseksuelen vaak helemaal niet of slechts zijdelings aan bod in schoolboeken en standaardwerken over de Tweede Wereldoorlog – alsof een analyse van de naziehouding tegenover homoseksuelen geen onlosmakelijk deel uitmaakt van het analyseren van het totalitaire karakter van het nationaalsocialisme.
De onderzoeksbevindingen in Doodgeslagen, doodgezwegen brengen aan het licht dat de bestrijding van homoseksualiteit een integraal onderdeel was van de nazi-ideologie en van het vervolgingsapparaat van politie, justitie en uiteindelijk de gevangenissen en kampen. Ook hier in Nederland.
Voor het eerst worden daarbij de lange tijd anonieme slachtoffers zichtbaar als individuele mensen. Hun verhalen werden lange tijd geïgnoreerd als de belangrijkste bron om de vervolging vanuit de vervolgden zelf te kunnen horen en te begrijpen. De analyse van naziedocumenten betreffende de homovervolging stond in de voorgrond; het verhaal van de slachtoffers was slechts een case story, een anekdote.
Het tweede boek, dat ik samen met Judith Schuyf heb samengesteld, Het begint met nee zeggen. Biografieën rond homoseksualiteit en verzet, presenteert biografische portretten van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen die aan het Nederlandse verzet tijdens de bezetting hebben deelgenomen, maar daarna uit het collectieve geheugen werden gewist. O
ok hier ligt de nadruk op het individu om tot een beter begrip van de collectieve geschiedenis te komen. In de toch zeer omvangrijke en veelvoudig biografische geschiedschrijving van het Nederlandse verzet bleef het verzet van homoseksuelen ongenoemd.
Verzetshelden waren respectabele mannen, voor homo’s, en vaak ook voor vrouwen, was geen plek in deze eregalerij.
De gevestigde geschiedschrijving negeerde het aandeel van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen aan het verzet, vond het te anekdotisch voor serieus onderzoek.
De blik van de dader, waarin de vervolgden alleen nog als minderwaardig of levensonwaardig verschenen, werd in de tentoonstelling door de focus op het individu haast vanzelf tot thema. Homoseksuelen hebben zoals iedereen familie, vrienden, collega’s, buren: hoe reageerden die op hun bedreiging?
De verhalen in de tentoonstelling laten zien dat mensen ook in een dictatuur keuzes hebben en maken. De tentoonstelling legt de gevolgen ervan voor aan de bezoeker: wie kan ik nog vertrouwen in een dictatuur waar ik als minderwaardig wordt gezien?
Waarom steunt mij de één, en verraadt mij de ander? Waarom werkten zo velen mee en gaven hun vrienden of collega’s vrijwillig aan bij de politie?
Lange tijd konden deze vragen niet gesteld of beantwoord worden. De gevestigde geschiedschrijving heeft de nazivervolging van homoseksuelen zo goed als genegeerd. Deze blinde vlek in de geschiedschrijving had zijn tegenhanger in de langdurige uitsluiting van de voormalige gevangenen met de roze driehoek uit de herdenkingscultuur.
De tentoonstelling is daarom onderdeel van een breder project dat het besef wil vergroten dat homovervolging integraal onderdeel is van de nazistische bevolkingspolitiek en de Duitse bezetting.
Homofobie wordt als structureel element van totalitair gedachtegoed zichtbaar.
Bij het maken van deze tentoonstelling viel mij opnieuw op hoe schaars het materiaal is. Over de homogeschiedenis in de 20ste eeuw, zowel de zwarte bladzijden als de successen vanaf de jaren zestig, is nauwelijks iets terug te vinden in Nederlandse musea of archieven.
Ik kon vooral terecht bij private bronnen, zoals particuliere archieven en het IHLIA (Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief) voor foto’s, objecten en correspondenties.
Zij proberen te redden en te bewaren, maar vanwege hun zeer beperkte middelen is dit vaak tevergeefs. Het gros van documenten, foto’s en objecten uit de 20ste eeuw waarmee het leven van homoseksuelen gedocumenteerd zou kunnen worden, belandt op de vuilnis.
Terwijl de Nederlandse samenleving sinds de jaren zestig vergaand is veranderd en als een van de weinigen landen gelijke rechten voor homoseksuelen heeft geregeld, gaan de meeste Nederlandse erfgoedinstellingen door alsof er niets is gebeurd:
Homoseksualiteit blijft in musea en archieven als vanouds onzichtbaar. Don't ask, don’t tell, don’t preserve.
In vergelijking met andere media - televisie, film, literatuur of theater – waarin homoseksualiteit al lang vanzelfsprekend deel uitmaakt, lopen musea en archieven achter. Ze hebben hun collectie nooit vanuit dit perspectief bekeken.
Er wordt niet doelgericht verzameld. Men kan dan ook vaak geen expertise bieden. Terwijl musea wel, en terecht, een doelgericht beleid tegenover nieuwe bezoekers uit migranten gemeenschappen ontwikkelen, ontbreken vergelijkbare initiatieven bij dit thema. Ook dreigt Nederland de aansluiting te missen aan vergelijkbare discussies vooral in de Angelsaksische wereld.
Dit gebrek heeft verschillende redenen. Een reden is zeker een hardnekkig vooroordeel binnen de gevestigde geschiedschrijving. Homoseksualiteit wordt nog steeds gereduceerd tot een geschiedenis van seksualiteit en identiteit. Terwijl het bestudeerd zou moeten worden als deel van een complexe sociale geschiedenis.
Niet hun seksuele gedrag kenmerkte het leven van lesbische vrouwen en homoseksuele mannen in de twintigste eeuw. Hun leven werd bepaald door de maatschappelijke, medische, juridische en symbolische uitsluiting door de samenleving.
Homogeschiedenis is dus Nederlandse geschiedenis tot in de haarvaten. Het is een wezenlijk deel van het historische zelfbeeld van de gehele samenleving.
Samenlevingen definiëren zich door grenzen te trekken, daadwerkelijk en symbolisch: ‘homoseksualiteit’ functioneerde lange tijd als een symbolische grens voor het Nederlandse begrip van normaliteit. Homoseksuelen, dat waren de ‘anderen’, het ‘buiten’. Maar als dat zo is, waarom lezen wij er dan zo weinig over in onze geschiedenisboeken? Hoe vergaand geïntegreerd zijn homoseksuelen daadwerkelijk in het Nederlandse collectieve geheugen?
Een samenleving definieert zich ook door wat ze bewaart en koestert. Het collectieve geheugen werkt als een filter. Waar komen wij vandaan, hoe zijn we zo geworden, waar gaan wij naartoe?
Erfgoedinstellingen helpen de beslissingen die wij in het verleden hebben genomen, te bewaren en te verduidelijken voor komende generaties. Gebrek aan historische kennis en voorstellingsvermogen kan zich al snel vertalen in onverschilligheid.
Zoals dit schrijnend werd en wordt getoond door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wanneer het constateert dat het voor homoseksuelen in Iran ´niet totaal onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren´ mits ze ´niet al te openlijk voor de seksuele geaardheid uitkomen`.
Ook onze minister president liet zien dat hij in het buitenland onze normen en waarden, zoals de openstelling van het huwelijk voor homoseksuele mannen en vrouwen, niet zonder meer verdedigt. Balkenende had in Indonesië ook kunnen kiezen voor een reactie in de geest van de Spaanse premier Zapatero.
Die toonde aanmerkelijk meer oog voor de historische stap die werd gezet door de openstelling van het huwelijk voor homoseksuelen in Spanje: "Wij maken deze wet niet voor mensen die ver weg zijn en onbekend. We verruimen de mogelijkheid van geluk voor onze buren, onze collega’s, onze vrienden en onze families. En tegelijkertijd scheppen wij een beschaafdere samenleving omdat een beschaafdere samenleving zijn leden niet vernederd."
Het is tijd voor een duidelijk beleidsplan vanuit de overheid dat erfgoedinstellingen stimuleert ook dit aspect van de Nederlandse geschiedenis te documenteren. Daarbij hoort, zoals bij andere doelgroepen ook, een directe communicatie vanuit de erfgoedsector.
De discussie in de laatste jaren over een homomuseum binnen de Nederlandse museumwereld eindigde echter, voordat ze begon, vaak met een gemakkelijke ridiculisering van het concept.
Hun gebrek aan expertise baseert op een gebrek aan draagvlak, interesse en theoretisch begrip. Het verraadt ook een verrassend provincialisme, wordt dit thema toch sinds jaren gediscussieerd in de Angelsaksische wereld, of bij onze buren in Duitsland.
Maar ook homo Nederland zelf accepteert het gebrek aan integratie in de erfgoedsector nog steeds alsof het vanzelf sprekend is: erfgoed blijft, ook binnen de homogemeenschap, heteroseksueel.
Het is tijd dat erfgoedinstellingen in Nederland zich bezinnen op de unieke ontwikkeling die homoseksuelen en heteroseksuelen samen hebben meegemaakt in de laatste eeuw, tenminste hier, in dit land. Deze verworvenheid moet deel van ons nationaal geheugen worden.
Komende generaties hebben een recht erop dat dit deel van hun geschiedenis op een vanzelfsprekende manier wordt bewaard.
Ik wil afsluiten met een reflectie over de centrale vraag van de tentoonstelling: wie kan ik nog vertrouwen? Iedere tentoonstelling, ook al gaat zij over het verleden, is ontwikkeld vanuit een heden. Tijdens het maken van de tentoonstelling werd die distantie tussen het verleden en het heden een centrale vraag.
Met de ondergang van de nationaalsocialistische staat zijn diens totalitaire opvattingen niet verdwenen. In een grote hoeveelheid staten worden homoseksuelen vandaag vervolgd, gevoed door fascistische, communistische of religieusfundamentalistische regimes.
De locaties zijn veranderd, totalitair gedachtegoed is gebleven. Ook democratische staten hebben problemen met groeiende fundamentalistische stromingen van christelijke, joodse, islamitische of hindoesignatuur en met neofascistische ideologieën. Religie wordt misbruikt als veilig platvorm voor de verkondiging van haat en geweld tegen homoseksuelen.
Homoseksuelen hebben in Nederland een lange strijd gevoerd om zich niet te moeten verbergen en zichtbaar en met respect hun leven te kunnen leiden. De gouden jaren van onbezorgdheid lijken echter voorbij.
Het kleine homo paradijs als dat Nederland zich voor een korte periode voordeed bestaat niet meer. Migrantengemeenschappen houden vast aan hun afwijzing van homoseksualiteit die zij uit hun eigen cultuur kennen. Het web en andere media geven niet alleen een platform voor de strijd voor homorechten, maar ook voor de verspreiding voor homofobie.
De terugkeer van transnationaal opererende religies in het openbare leven en hun veelvoudig gebrek aan respect voor andere levensaanschouwingen zet ook de discussie in Nederland op scherp.
De tentoonstelling laat zien hoe het individu in een totalitaire omgeving onder druk komt te staan en hoe een medeplichtige maatschappij verregaand bijdraagt aan deze druk, zo zei ik in het begin. Wat kunnen wij daarvan vandaag hier leren? Wie kunnen wij nu vertrouwen?
Vertrouwen is een schaars goed geworden in Nederland. Nederland is geen totalitair land vandaag. Maar het is een land dat zo gehecht is geraakt aan zijn verlangen naar consensus dat het stemmen, en mensen die buiten deze consensus vallen, niet meer lijkt te kunnen verdragen.
Doe gewoon dan doe je gek genoeg, ooit zelfs het motto van een Gay Pride parade, verwoordt dit op een blijkbaar gemoedelijke manier. Ook de volkswijsheid die ik haast meteen na mijn aankomst 20 jaar geleden kreeg te horen, klonk mij lange tijd tamelijk onschuldig in de oren: Je moet je hoofd niet boven het maaiveld steken.
Maar de nivellerende normalisering die de Nederlandse samenleving al langer kenmerkt heeft buitensporige vormen aangenomen. De vrijheid van meningsuiting is verworden tot de vrijheid je leven te riskeren.
Democratische basiswaarden en regels functioneren niet meer voor degenen die zich buiten de toegestane discours durven te bewegen.
Voor de derde keer in een korte tijd verliest Nederland een onafhankelijke stem. Men vindt het tegenwoordig gewoon dat Pim Fortuyn, Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali ‘teveel’ werden voor wat de democratie in Nederland aankan. Hoeveel anekdotes hebben wij nodig?
De dissident die eeuwen toevlucht vond in Nederland moet nu vluchten, of de fatale gevolgen worden gebagatelliseerd als zijn of haar eigen schuld. Hadden ze hun mond maar moeten houden. Dit krijg je als je zonodig moet provoceren. Dit kan alleen gebeuren omdat medeplichtige groepen in deze maatschappij aan dit klimaat bijdragen.
De Nederlandse nivellering krijgt totalitaire trekken.
Ik vind het daarom bijzonder pijnlijk vandaag hier te staan, met de herinnering aan de feestelijke opening van deze tentoonstelling door Ayaan Hirsi Ali. Zoals wij nu weten, was deze opening haar laatste publieke verrichting in Nederland als lid van de tweede kamer.
Haar foto van de opening werd luttele weken later opnieuw vele malen herdrukt, dit keer als afscheidsfoto van Ayaan. Haar bleef alleen nog de weg in ballingschap: weg uit dit land waarin ze 24/7 moest worden beschermd, waarin haar buren haar uit haar woning konden klagen en een minister haar goed kon gebruiken in de campagne voor haar verkiezing als lijsttrekker.
De oproep van een groep van negen homowetenschappers in een open brief om Hirsi Ali deze tentoonstelling niet te laten openen hoorde thuis in dit klimaat waarin haar uitsluiting van een democratisch discours gewoon werd gevonden.
Als academici de vrijheid van meningsuiting niet meer hooghouden, wie dan?
Het was mooi geweest als Ayaan Hirsi Ali iets had gezegd waarmee wij helemaal niet eens mee konden zijn. Maar dat gebeurde niet. Haar toespraak was persoonlijk, ontroerend, vragend, zoekend. Maar zelfs had Hirsi Ali standpunten vertegenwoordigd, waarmee ik het niet eens mee zou zijn, had ik dit als normale gang van zaken binnen een democratische samenleving gezien.
Nederland heeft het vertrouwen in de veerkracht van zijn eigen democratie verloren en lijkt zich een vreedzaam samenleven alleen nog te kunnen voorstellen via spreekverboden en bedreiging.
De groep van negen homowetenschappers leende voor hun actie de titel van ons boek: Het begint met Nee zeggen. Het is een citaat van een verzetsstrijdster. De wereld op zijn kop: Ayaan Hirsi Ali die haar nek uitsteekt en zelfs haar leven riskeert om haar opvattingen op een democratische wijze uit te dragen, werd symbolisch als vijand neergezet, terwijl de oproep haar uit het democratische debat te houden als daad van verzet werd gevierd.
Het is een illustratie van het bekende gezegde 'dat het Nederlandse verzet vooral ná 1945 groeide'. Het is een parodie van het recht op de vrijheid van meningsuiting.
Nee, niet Ayaan Hirsi Ali, maar deze groep van homowetenschappers draagt mede de totalitaire trekken van een toenemend benauwende normaliseringmaatschappij uit.
Deze tentoonstelling gaat over het verleden. Een onverwerkt verleden.
Wie kan ik nu vertrouwen? Ik maak mij daar zeer ongerust over."
_____________________________________________
Klaus Müller is werkzaam als museumconsultant voor diverse culturele instellingen, waaronder het United States Holocaust Memorial Museum in Washington. Hij is de samensteller en historisch onderzoeker van de tentoonstelling Wie kan ik nog vertrouwen? Homoseksueel in nazi Duitsland en bezet Nederland, die vanaf 21 april is te zien in Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
De tekst van deze toespraak is alleen eindredactioneel geschikt gemaakt voor plaatsing op deze website en tekstinhoudelijk op geen enkele wijze aangepast.
Zo was er de Dodenherdenking op 4 mei, bij het homomonument in Amsterdam, waar werd stilgestaan bij vervolgde en gediscrimineerde homoseksuelen. Daarnaast was er ook de opening van de tentoonstelling 'Wie kan ik nog vertrouwen? Homoseksueel in Nazi-Duitsland en bezet Nederland' in kamp Westerbork, door politica Ayaan Hirsi Ali.
De hedendaagse Dodenherdenking en onderzoek naar de vervolging van homoseksuelen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog... Het zijn twee feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, maar die ook los van elkaar een rol spelen in de huidge maatschappij.
Homo in bezet Nederland
De tentoonstelling mag dan geopend zijn, onderzoekers moeten eigenlijk nog pas beginnen met het documenteren van wat er allemaal gebeurd is tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Zo was er afgelopen vrijdag een studiedag in Kamp Westerbork, om voorlopige resultaten te bespreken van verschillende onderzoeken die lopen op het gebied van homovervolging en homoseksualiteit ten tijde van bezet Nederland.
'Vertrouwen schaars goed'
Eén van de sprekers tijdens die studiedag was Klaus Müller, onder andere samensteller van de eerder genoemde tentoonstelling in Kamp Westerbork.
Müllers toespraak was fel. Hij bekritiseerde in zijn toespraak onder meer negen homowetenschappers die Ayaan Hirsi Ali bij voorbaat het spreken onmogelijk hadden willen maken bij wat achteraf haar laatste publieke optreden als lid van de Tweede Kamer zou blijken te zijn (de opening van de tentoonstelling).
Toespraak & reportage
"Vertrouwen is een schaars goed geworden in Nederland", zei Müller. Hoewel er protest klonk tijdens zijn toespraak, ging hij door en ontving een luid applaus aan het eind van zijn betoog.
De volledige toespraak van Klaus Müller is hieronder te lezen. Aansluitend bij dit onderwerp plaatsen we hiernaast de reportage die onze collega's van MVS Media uit Amsterdam maakten tijdens de Dodenherdenking bij het homomonument, op 4 mei van dit jaar.
Lees Müllers toespraak hieronder, bekijk de MVS-reportage via de links in de kolom hiernaast (bovenaan).
Wie de tekst van de toespraak te lang vindt, kan de tekst ook knippen en plakken in een tekstverwerkingsdocument en deze zo printen. Let wel: ©tekst: Klaus Müller.
_____________________________________________
Toespraak Klaus Müller
Herinneringskamp Westerbork
19 mei 2006
"'Wat voor de één een anekdote is, is voor de ander bittere realiteit. Hoeveel anekdotes hebben we nodig?', vroeg Ayaan Hirsi Ali bij de opening van de tentoonstelling op 21 april.
Haar vraag raakt de kern van de tentoonstelling: hoe begrijpen wij de onderdrukking van een groep zonder individuele verhalen en hoe kunnen wij via deze verhalen tot een oordeel komen over het verleden en over het heden?
De tentoonstelling Wie kan ik nog vertrouwen? Homoseksueel in Nazi-Duitsland en bezet Nederland toont het leven van lesbische vrouwen en homoseksuele mannen in Duitsland en Nederland tussen 1933 en 1945, met als zwaartepunt hun vervolging en verzet.
Het is de eerste keer voor Nederland dat deze ‘zwarte bladzijde van de homogeschiedenis’ zo duidelijk op de kaart wordt gezet in een expositie.
De tentoonstelling laat zien hoe het individu in een totalitaire staat onder druk komt te staan en hoe een medeplichtige maatschappij verregaand bijdraagt aan deze druk. De reductie van het individu tot een categorie, in dit geval tot de categorie ‘homoseksueel’, is het uitgangspunt van een totalitaire staat en van totalitaire denkbeelden – toen en nu.
De tentoonstelling berust mede op twee boeken onder mijn redactie. Het eerste is het in oktober 2005 gepubliceerde Doodgeslagen, doodgezwegen dat recent onderzoek naar de vervolging van homoseksuelen door het naziregime in Duitsland en bezette gebieden zoals Nederland presenteert.
Het boek gaat tegen heersende mythes in de gevestigde geschiedschrijving in, zoals bijvoorbeeld de onderstelling dat veel documentatie die een reconstructie mogelijk zou maken van de nazivervolging van homoseksuelen, vernietigd was.
In werkelijkheid had men de beschikbare bronnen nog nauwelijks bekeken vanwege een gebrek aan interesse in het thema, onvoldoende geld om onderzoek te doen en een tekortschietend inzicht in de waarde van het materiaal.
In de laatste vijftien jaar is dit veranderd. Toch is het omvangrijke regionale en lokale archiefonderzoek in Duitsland en Nederland, evenals het lopende onderzoek in andere Europese landen, nog niet geïntegreerd in de Nederlandse en internationale historiografie van de holocaust en het nationaalsocialisme.
Daardoor komt de nazivervolging van homoseksuelen vaak helemaal niet of slechts zijdelings aan bod in schoolboeken en standaardwerken over de Tweede Wereldoorlog – alsof een analyse van de naziehouding tegenover homoseksuelen geen onlosmakelijk deel uitmaakt van het analyseren van het totalitaire karakter van het nationaalsocialisme.
De onderzoeksbevindingen in Doodgeslagen, doodgezwegen brengen aan het licht dat de bestrijding van homoseksualiteit een integraal onderdeel was van de nazi-ideologie en van het vervolgingsapparaat van politie, justitie en uiteindelijk de gevangenissen en kampen. Ook hier in Nederland.
Voor het eerst worden daarbij de lange tijd anonieme slachtoffers zichtbaar als individuele mensen. Hun verhalen werden lange tijd geïgnoreerd als de belangrijkste bron om de vervolging vanuit de vervolgden zelf te kunnen horen en te begrijpen. De analyse van naziedocumenten betreffende de homovervolging stond in de voorgrond; het verhaal van de slachtoffers was slechts een case story, een anekdote.
Het tweede boek, dat ik samen met Judith Schuyf heb samengesteld, Het begint met nee zeggen. Biografieën rond homoseksualiteit en verzet, presenteert biografische portretten van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen die aan het Nederlandse verzet tijdens de bezetting hebben deelgenomen, maar daarna uit het collectieve geheugen werden gewist. O
ok hier ligt de nadruk op het individu om tot een beter begrip van de collectieve geschiedenis te komen. In de toch zeer omvangrijke en veelvoudig biografische geschiedschrijving van het Nederlandse verzet bleef het verzet van homoseksuelen ongenoemd.
Verzetshelden waren respectabele mannen, voor homo’s, en vaak ook voor vrouwen, was geen plek in deze eregalerij.
De gevestigde geschiedschrijving negeerde het aandeel van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen aan het verzet, vond het te anekdotisch voor serieus onderzoek.
De blik van de dader, waarin de vervolgden alleen nog als minderwaardig of levensonwaardig verschenen, werd in de tentoonstelling door de focus op het individu haast vanzelf tot thema. Homoseksuelen hebben zoals iedereen familie, vrienden, collega’s, buren: hoe reageerden die op hun bedreiging?
De verhalen in de tentoonstelling laten zien dat mensen ook in een dictatuur keuzes hebben en maken. De tentoonstelling legt de gevolgen ervan voor aan de bezoeker: wie kan ik nog vertrouwen in een dictatuur waar ik als minderwaardig wordt gezien?
Waarom steunt mij de één, en verraadt mij de ander? Waarom werkten zo velen mee en gaven hun vrienden of collega’s vrijwillig aan bij de politie?
Lange tijd konden deze vragen niet gesteld of beantwoord worden. De gevestigde geschiedschrijving heeft de nazivervolging van homoseksuelen zo goed als genegeerd. Deze blinde vlek in de geschiedschrijving had zijn tegenhanger in de langdurige uitsluiting van de voormalige gevangenen met de roze driehoek uit de herdenkingscultuur.
De tentoonstelling is daarom onderdeel van een breder project dat het besef wil vergroten dat homovervolging integraal onderdeel is van de nazistische bevolkingspolitiek en de Duitse bezetting.
Homofobie wordt als structureel element van totalitair gedachtegoed zichtbaar.
Bij het maken van deze tentoonstelling viel mij opnieuw op hoe schaars het materiaal is. Over de homogeschiedenis in de 20ste eeuw, zowel de zwarte bladzijden als de successen vanaf de jaren zestig, is nauwelijks iets terug te vinden in Nederlandse musea of archieven.
Ik kon vooral terecht bij private bronnen, zoals particuliere archieven en het IHLIA (Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief) voor foto’s, objecten en correspondenties.
Zij proberen te redden en te bewaren, maar vanwege hun zeer beperkte middelen is dit vaak tevergeefs. Het gros van documenten, foto’s en objecten uit de 20ste eeuw waarmee het leven van homoseksuelen gedocumenteerd zou kunnen worden, belandt op de vuilnis.
Terwijl de Nederlandse samenleving sinds de jaren zestig vergaand is veranderd en als een van de weinigen landen gelijke rechten voor homoseksuelen heeft geregeld, gaan de meeste Nederlandse erfgoedinstellingen door alsof er niets is gebeurd:
Homoseksualiteit blijft in musea en archieven als vanouds onzichtbaar. Don't ask, don’t tell, don’t preserve.
In vergelijking met andere media - televisie, film, literatuur of theater – waarin homoseksualiteit al lang vanzelfsprekend deel uitmaakt, lopen musea en archieven achter. Ze hebben hun collectie nooit vanuit dit perspectief bekeken.
Er wordt niet doelgericht verzameld. Men kan dan ook vaak geen expertise bieden. Terwijl musea wel, en terecht, een doelgericht beleid tegenover nieuwe bezoekers uit migranten gemeenschappen ontwikkelen, ontbreken vergelijkbare initiatieven bij dit thema. Ook dreigt Nederland de aansluiting te missen aan vergelijkbare discussies vooral in de Angelsaksische wereld.
Dit gebrek heeft verschillende redenen. Een reden is zeker een hardnekkig vooroordeel binnen de gevestigde geschiedschrijving. Homoseksualiteit wordt nog steeds gereduceerd tot een geschiedenis van seksualiteit en identiteit. Terwijl het bestudeerd zou moeten worden als deel van een complexe sociale geschiedenis.
Niet hun seksuele gedrag kenmerkte het leven van lesbische vrouwen en homoseksuele mannen in de twintigste eeuw. Hun leven werd bepaald door de maatschappelijke, medische, juridische en symbolische uitsluiting door de samenleving.
Homogeschiedenis is dus Nederlandse geschiedenis tot in de haarvaten. Het is een wezenlijk deel van het historische zelfbeeld van de gehele samenleving.
Samenlevingen definiëren zich door grenzen te trekken, daadwerkelijk en symbolisch: ‘homoseksualiteit’ functioneerde lange tijd als een symbolische grens voor het Nederlandse begrip van normaliteit. Homoseksuelen, dat waren de ‘anderen’, het ‘buiten’. Maar als dat zo is, waarom lezen wij er dan zo weinig over in onze geschiedenisboeken? Hoe vergaand geïntegreerd zijn homoseksuelen daadwerkelijk in het Nederlandse collectieve geheugen?
Een samenleving definieert zich ook door wat ze bewaart en koestert. Het collectieve geheugen werkt als een filter. Waar komen wij vandaan, hoe zijn we zo geworden, waar gaan wij naartoe?
Erfgoedinstellingen helpen de beslissingen die wij in het verleden hebben genomen, te bewaren en te verduidelijken voor komende generaties. Gebrek aan historische kennis en voorstellingsvermogen kan zich al snel vertalen in onverschilligheid.
Zoals dit schrijnend werd en wordt getoond door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wanneer het constateert dat het voor homoseksuelen in Iran ´niet totaal onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren´ mits ze ´niet al te openlijk voor de seksuele geaardheid uitkomen`.
Ook onze minister president liet zien dat hij in het buitenland onze normen en waarden, zoals de openstelling van het huwelijk voor homoseksuele mannen en vrouwen, niet zonder meer verdedigt. Balkenende had in Indonesië ook kunnen kiezen voor een reactie in de geest van de Spaanse premier Zapatero.
Die toonde aanmerkelijk meer oog voor de historische stap die werd gezet door de openstelling van het huwelijk voor homoseksuelen in Spanje: "Wij maken deze wet niet voor mensen die ver weg zijn en onbekend. We verruimen de mogelijkheid van geluk voor onze buren, onze collega’s, onze vrienden en onze families. En tegelijkertijd scheppen wij een beschaafdere samenleving omdat een beschaafdere samenleving zijn leden niet vernederd."
Het is tijd voor een duidelijk beleidsplan vanuit de overheid dat erfgoedinstellingen stimuleert ook dit aspect van de Nederlandse geschiedenis te documenteren. Daarbij hoort, zoals bij andere doelgroepen ook, een directe communicatie vanuit de erfgoedsector.
De discussie in de laatste jaren over een homomuseum binnen de Nederlandse museumwereld eindigde echter, voordat ze begon, vaak met een gemakkelijke ridiculisering van het concept.
Hun gebrek aan expertise baseert op een gebrek aan draagvlak, interesse en theoretisch begrip. Het verraadt ook een verrassend provincialisme, wordt dit thema toch sinds jaren gediscussieerd in de Angelsaksische wereld, of bij onze buren in Duitsland.
Maar ook homo Nederland zelf accepteert het gebrek aan integratie in de erfgoedsector nog steeds alsof het vanzelf sprekend is: erfgoed blijft, ook binnen de homogemeenschap, heteroseksueel.
Het is tijd dat erfgoedinstellingen in Nederland zich bezinnen op de unieke ontwikkeling die homoseksuelen en heteroseksuelen samen hebben meegemaakt in de laatste eeuw, tenminste hier, in dit land. Deze verworvenheid moet deel van ons nationaal geheugen worden.
Komende generaties hebben een recht erop dat dit deel van hun geschiedenis op een vanzelfsprekende manier wordt bewaard.
Ik wil afsluiten met een reflectie over de centrale vraag van de tentoonstelling: wie kan ik nog vertrouwen? Iedere tentoonstelling, ook al gaat zij over het verleden, is ontwikkeld vanuit een heden. Tijdens het maken van de tentoonstelling werd die distantie tussen het verleden en het heden een centrale vraag.
Met de ondergang van de nationaalsocialistische staat zijn diens totalitaire opvattingen niet verdwenen. In een grote hoeveelheid staten worden homoseksuelen vandaag vervolgd, gevoed door fascistische, communistische of religieusfundamentalistische regimes.
De locaties zijn veranderd, totalitair gedachtegoed is gebleven. Ook democratische staten hebben problemen met groeiende fundamentalistische stromingen van christelijke, joodse, islamitische of hindoesignatuur en met neofascistische ideologieën. Religie wordt misbruikt als veilig platvorm voor de verkondiging van haat en geweld tegen homoseksuelen.
Homoseksuelen hebben in Nederland een lange strijd gevoerd om zich niet te moeten verbergen en zichtbaar en met respect hun leven te kunnen leiden. De gouden jaren van onbezorgdheid lijken echter voorbij.
Het kleine homo paradijs als dat Nederland zich voor een korte periode voordeed bestaat niet meer. Migrantengemeenschappen houden vast aan hun afwijzing van homoseksualiteit die zij uit hun eigen cultuur kennen. Het web en andere media geven niet alleen een platform voor de strijd voor homorechten, maar ook voor de verspreiding voor homofobie.
De terugkeer van transnationaal opererende religies in het openbare leven en hun veelvoudig gebrek aan respect voor andere levensaanschouwingen zet ook de discussie in Nederland op scherp.
De tentoonstelling laat zien hoe het individu in een totalitaire omgeving onder druk komt te staan en hoe een medeplichtige maatschappij verregaand bijdraagt aan deze druk, zo zei ik in het begin. Wat kunnen wij daarvan vandaag hier leren? Wie kunnen wij nu vertrouwen?
Vertrouwen is een schaars goed geworden in Nederland. Nederland is geen totalitair land vandaag. Maar het is een land dat zo gehecht is geraakt aan zijn verlangen naar consensus dat het stemmen, en mensen die buiten deze consensus vallen, niet meer lijkt te kunnen verdragen.
Doe gewoon dan doe je gek genoeg, ooit zelfs het motto van een Gay Pride parade, verwoordt dit op een blijkbaar gemoedelijke manier. Ook de volkswijsheid die ik haast meteen na mijn aankomst 20 jaar geleden kreeg te horen, klonk mij lange tijd tamelijk onschuldig in de oren: Je moet je hoofd niet boven het maaiveld steken.
Maar de nivellerende normalisering die de Nederlandse samenleving al langer kenmerkt heeft buitensporige vormen aangenomen. De vrijheid van meningsuiting is verworden tot de vrijheid je leven te riskeren.
Democratische basiswaarden en regels functioneren niet meer voor degenen die zich buiten de toegestane discours durven te bewegen.
Voor de derde keer in een korte tijd verliest Nederland een onafhankelijke stem. Men vindt het tegenwoordig gewoon dat Pim Fortuyn, Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali ‘teveel’ werden voor wat de democratie in Nederland aankan. Hoeveel anekdotes hebben wij nodig?
De dissident die eeuwen toevlucht vond in Nederland moet nu vluchten, of de fatale gevolgen worden gebagatelliseerd als zijn of haar eigen schuld. Hadden ze hun mond maar moeten houden. Dit krijg je als je zonodig moet provoceren. Dit kan alleen gebeuren omdat medeplichtige groepen in deze maatschappij aan dit klimaat bijdragen.
De Nederlandse nivellering krijgt totalitaire trekken.
Ik vind het daarom bijzonder pijnlijk vandaag hier te staan, met de herinnering aan de feestelijke opening van deze tentoonstelling door Ayaan Hirsi Ali. Zoals wij nu weten, was deze opening haar laatste publieke verrichting in Nederland als lid van de tweede kamer.
Haar foto van de opening werd luttele weken later opnieuw vele malen herdrukt, dit keer als afscheidsfoto van Ayaan. Haar bleef alleen nog de weg in ballingschap: weg uit dit land waarin ze 24/7 moest worden beschermd, waarin haar buren haar uit haar woning konden klagen en een minister haar goed kon gebruiken in de campagne voor haar verkiezing als lijsttrekker.
De oproep van een groep van negen homowetenschappers in een open brief om Hirsi Ali deze tentoonstelling niet te laten openen hoorde thuis in dit klimaat waarin haar uitsluiting van een democratisch discours gewoon werd gevonden.
Als academici de vrijheid van meningsuiting niet meer hooghouden, wie dan?
Het was mooi geweest als Ayaan Hirsi Ali iets had gezegd waarmee wij helemaal niet eens mee konden zijn. Maar dat gebeurde niet. Haar toespraak was persoonlijk, ontroerend, vragend, zoekend. Maar zelfs had Hirsi Ali standpunten vertegenwoordigd, waarmee ik het niet eens mee zou zijn, had ik dit als normale gang van zaken binnen een democratische samenleving gezien.
Nederland heeft het vertrouwen in de veerkracht van zijn eigen democratie verloren en lijkt zich een vreedzaam samenleven alleen nog te kunnen voorstellen via spreekverboden en bedreiging.
De groep van negen homowetenschappers leende voor hun actie de titel van ons boek: Het begint met Nee zeggen. Het is een citaat van een verzetsstrijdster. De wereld op zijn kop: Ayaan Hirsi Ali die haar nek uitsteekt en zelfs haar leven riskeert om haar opvattingen op een democratische wijze uit te dragen, werd symbolisch als vijand neergezet, terwijl de oproep haar uit het democratische debat te houden als daad van verzet werd gevierd.
Het is een illustratie van het bekende gezegde 'dat het Nederlandse verzet vooral ná 1945 groeide'. Het is een parodie van het recht op de vrijheid van meningsuiting.
Nee, niet Ayaan Hirsi Ali, maar deze groep van homowetenschappers draagt mede de totalitaire trekken van een toenemend benauwende normaliseringmaatschappij uit.
Deze tentoonstelling gaat over het verleden. Een onverwerkt verleden.
Wie kan ik nu vertrouwen? Ik maak mij daar zeer ongerust over."
_____________________________________________
Klaus Müller is werkzaam als museumconsultant voor diverse culturele instellingen, waaronder het United States Holocaust Memorial Museum in Washington. Hij is de samensteller en historisch onderzoeker van de tentoonstelling Wie kan ik nog vertrouwen? Homoseksueel in nazi Duitsland en bezet Nederland, die vanaf 21 april is te zien in Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
De tekst van deze toespraak is alleen eindredactioneel geschikt gemaakt voor plaatsing op deze website en tekstinhoudelijk op geen enkele wijze aangepast.