Een erg roze kerstverhaal

Deel 3 (Einde)

Gepubliceerd op: 26 december 2005

Een erg roze kerstverhaal
Scrooge bukte om door het vieze kelderraam te kijken. Daar zag hij Bob samen met zijn vrouw en vijf kinderen aan tafel. Iedereen had zijn best gedaan om er zo mooi mogelijk uit te zien, de dochters hadden versleten linten in de haren en de heren hadden hun beste pak opgepoetst. De pakken waren nogal oud en versleten, waardoor het geheel er nog armoediger uitzag.
Op de tafel, die keurig gedekt was, stonden een pan en een schaal. Op de schaal lag een schamele ganzenbout.
“Ze zijn zeker al klaar met eten, dit wat we zien is toch wat er over is?”
“Nee, Scrooge, dit ís het kerstdiner. Die ene schamele ganzenbout is hun kerstmaal. In de pan zitten vijf gekookte aardappels, meer niet.”
“Vijf?”
“Ja, vijf. Meer geld was er niet. Normaal eten ze alleen aardappels, de ganzenbout is nu extra. En daarom was er geen geld meer voor aardappels.”
 
Er kwam een jongetje aangehinkt met een kruk.
“Wie is dat jongetje?” vroeg Scrooge.
"Dat is kleine Tim, de jongste van het hele stel. Hij is zes jaar oud en heeft doordat hij ziek is geweest een lam been. Dat arme jochie wordt nog steeds iedere keer ziek. Bob sprong op om zijn jongste zoon op te pakken en hem eens uitgebreid te knuffelen. Hij zette hem op zijn stoel. Bob bleef staan om het eten te verdelen.
“Haal me hier weg!” Smeekte Scrooge. “Ik kan dit niet langer meer aanzien. Ik kan niet langer aanzien hoe mijn klerk in armoede moet leven, terwijl ik al het goud van de wereld kan kopen.”
“Dat was nou precies de bedoeling. Dat je eens met je neus op de feiten werd gedrukt. Bob zal de laatste zijn die over zijn loon zou zeuren, maar toch. Je betaalt hem echt te weinig. Zie je dat nu ook in?”
“Ja, haal me hier weg. Haal we weg. Ik wil dit niet meer.”
“Ja, alles leuk en aardig, maar je kunt niet weg blijven lopen voor je eigen daden. Je mag lekker nog even blijven”
 
Bob verdeelde het eten over de borden. De ganzenbout werden in minuscule stukjes gesneden en iedereen kreeg een beetje. Ook de aardappels werden verdeeld. Bob gaf zichzelf de kleinste stukjes. “Waarom geeft die man zichzelf niet het grootste stuk? Hij is toch degene die het geld binnenbrengt? Waarom gunt hij zichzelf niets?”
“Je kunt jezelf op verschillende manieren belonen. Je kunt jezelf belonen met materiele zaken, zoals eten en mooie kleren. Ook kun je jezelf belonen met het geven van dingen,” zei de geest.
 
“Zodra ik Bob weer zie op kantoor zal ik hem belonen. Echt waar. Hij doet zoveel goeds voor zijn gezin. Dit wist ik niet. Ik wist niet eens dat hij een gezin had.”
“Dat zeg je nu wel, maar doe je het ook? Het is namelijk wel geld dat je moet weggeven. Het zijn je eigen zuurverdiende centen die je nu gaat weggegeven. Nu zie je het gezin en denk je aan de armoede waarin ze leven, straks zit je weer thuis en zie je dat geld, waarvan je iedere cent een naam hebt gegeven. Dat geld waarvan je aan Marlie hebt beloofd het nooit weg te zullen geven, tenzij het niet anders kan.”
“Ik geef het aan hen, ik geef het aan Bob. Echt waar, maar haal me hier weg.” Scrooge lag nu op zijn knieën tegen de geest aan te huilen, en de omgeving vervaagde weer.

Niet veel later lag Scrooge alleen in zijn bed te huilen. “Haal me weg. Haal me weg. Haal me weg, alsjeblieft.” Hij deed zijn ogen open, zag dat hij weer thuis was en herstelde zich.
 
Hij keek op zijn horloge. Het was inmiddels al bijna avond. Bij de blik op de klok kreeg Scrooge spontaan honger. Hij liep naar de voorraadkast en keek erin. Een beetje meel om pap van te maken, meer was er niet. Hoewel Scrooge een rijk man was, leefde hij als een armoedzaaier. De gedachte aan de pap zorgde ervoor dat zijn honger meteen verdween.

Hij maakte het vuur in de haard weer aan. Het was koud in huis. Hij pakte een deken, ging in zijn stoel zitten en krulde zichzelf helemaal op in de hoop het warm te krijgen. Het lukte niet. Hij stookte het vuur nog een beetje op, maar zelfs zijn handen voelden niets van de warmte van het vuur. Het was warm in de kamer, maar Scrooge bleef maar koud. Hij vroeg zich af of hijzelf niet gewoon koud was. Dat hij een ijshart had gekregen in de loop van de jaren.

Hij dacht weer aan Marlie. Had hij maar nooit die belofte gedaan om op iedere cent van het kapitaal dat ze hadden opgebouwd, te letten.

Dan was alles anders geweest. Het was allemaal Marlie’s schuld. Maar hij kon onmogelijk een dode de schuld geven van zijn daden. Hij was moe, dat was het gewoon. Moe en verward. En op het moment dat Scrooge dat dacht viel hij weer in slaap.
 
Hij werd wakker van een aantal zware voetstappen. Hij keek rond, maar zag niets. Weer een paar voetstappen en toen hoorde hij zijn naam. Hij kon niet horen of het een man met een hoge stem of een vrouw met een lage stem was. Nog een paar voetstappen. Nu waren ze recht achter hem. Hij probeerde over de leuning van zijn stoel naar achter te kijken, maar kon door de kou niet zijn hoofd niet zover draaien. Hij draaide weer terug.

“Scroooge…” Hij deed weer een poging om achterom te kijken. Maar zover hoefde hij niet, er zweefde een geest recht boven zijn hoofd.
“Hèhè. Heb je me eindelijk door? Ik zat hier al de hele tijd.” De geest zweefde langzaam voor hem, zodat Scrooge hem of haar, daar was hij nog niet helemaal uit, recht aan kon kijken. De geest was een man met tuinbroek, kort haar en… borsten??
“Ja, ik ben een vrouw. Ja, ik draag een tuinbroek en nee, ik heb geen wulpse vormen. Aan de andere kant, daar heb jij toch geen oog voor. Jij zit nog steeds met je hoofd bij je geliefde Marlie. Word eens wakker. Die man is al zeven jaar dood!”
“Waar heb je het over,” vroeg Scrooge, “ Wie ben je, waar ga je me mee naar toe nemen?”
“Ik heb het over je gekweel over een man die allang dood is, ik ben de geest van de kersten die nog moeten komen en ik ga je lekker niet zeggen waar ik je mee naar toe neem.”
 
Op dat moment vervaagde de omgeving. Toen Scrooge zijn ogen weer opendeed, schrok hij. Ze waren op het kerkhof. “Waarom neem je me hier mee naartoe?”
“Kijk maar…” was het simpele antwoord van de geest. Scrooge keek rond en zag zijn eigen klerk Bob Cratchit met zijn hele gezin gebogen over een graf. De vrouw van Bob was ontroostbaar. Het graf werd op dat moment gesloten. Bob legde er iets bovenop en het hele gezin liep weg. Scrooge ging kijken en zag een kruk liggen. De kruk van kleine Tim.
“Is hij dood?”
“Ja, in deze versie van de toekomst overleeft kleine Tim het niet. Maar het kan best zijn dat als sommige mensen dingen anders doen, hij het wel overleeft.”

Ze liepen verder. Bij een ander, net gedolven graf, stonden twee mannen te praten. “Ach, zo erg zullen we hem nou ook weer niet gaan missen. Hij was rijk, maar niet in staat te delen.”
“Over wie hebben jullie het?” vroeg Scrooge, maar realiseerde zich op dat moment dat hij voor de anderen onzichtbaar was.
“Je wilt weten over wie ze het hebben?” zei de geest, “Kijk zelf maar.” Scrooge boog voorover om de inscriptie op de steen te zien. ‘Ebenezer Scrooge. Vrek’, stond er. “Nee, dit kan niet. Ik ben geen vrek, ik ben…”
 
Op dat moment verloor Scrooge zijn evenwicht en viel naar beneden. Hij hoorde nog net de lach van de geest op de rand van het graf. De val leek eindeloos. “Neeeee, neeeee! Geest! Doe iets, laat me hier niet alleen achter. Ik ben te jong om te sterven.” Hij deed zijn ogen open en realiseerde zich dat hij nog steeds op zijn stoel zat. Zijn deken had hij drie keer om zich heen gedraaid, maar hij leefde nog. Hij leefde! 
 
Hij sprong van zijn stoel, deed zijn kleren aan en sprong naar buiten. “Vrolijk kerstfeest!! Vrolijk kerstfeest” Hij liep naar kantoor en haalde daar zijn beurs. Van het geld dat daar in zat, kocht hij de grootste kalkoen die hij kon vinden en ging daarmee naar het huis van Bob Cratchit. Hij zette de kalkoen voor de deur, klopte driemaal op de deur en verstopte zich om de hoek.

De vrouw van Bob deed de deur open. “Een kalkoen. Een kalkoen. Bob, er staat een kalkoen op de stoep.” Ook Bob kwam naar buiten. Hij keek rond. Scrooge dook weg, hij wilde absoluut niet gezien worden. Binnenin hem ontwaakte er een vlammetje. Een klein vlammetje dat hij niet meer had gevoeld, sinds de allereerste nacht met Marlie. Hij wist wat dat betekende. Zijn hart was ontdooid. Hij was nu van zijn ketenen ontdaan. Hij kon verder leven!

Hij keek naar achter, omdat hij een paar ogen in zijn rug voelde. Hij zag niets, maar wist dat Marlie achter hem stond. “Dank je. Dankjewel!”

Met een glimlach op zijn gezicht draaide Scrooge zich om en liep weg, weg in de mensenmassa. Daarna is Scrooge nooit meer bot geweest, nooit meer onbeleefd en hij werd de grootste weldoener van de stad. Tot op de dag van vandaag spreken mensen over zijn wonderbaarlijke karakterverandering, en Scrooge heeft de reden daarvoor altijd stil gehouden... Zolang de mensen maar gelukkig waren.

Einde!