Horende doof en ziende blind

Column | André van Wanrooij

Gepubliceerd op: 15 maart 2006

Horende doof en ziende blind
‘Crisis Op Crisis’, dat is de woordspeling die de redactie van Het Roze Rijk verbond aan de letters ‘COC’. En deze betiteling wordt alsmaar meer bewaarheid.

De oorzaak van deze crises ligt verscholen in de organisatiestructuur van de federatie. Deze structuur moest ‘het landelijk’ op meer afstand plaatsen van de regionale afdelingen. Dat laatste is uiteindelijk zeer goed gelukt… té goed kun je wel zeggen.
 
Menig regionaal COC houdt zich nog enkel bezig met haar eigen problemen. De verantwoordelijkheid om als lid van de Algemene Vergadering van COC Nederland een controlerende taak uit te oefenen op het landelijk bestuur wordt daardoor menigmaal onderschat en soms zelfs vergeten.

Ook COC regio Breda is in het verleden te lang aan deze verantwoordelijkheid voorbijgegaan.
 
Na mijn toetreden tot het Bredase bestuur kwam hierin verandering. Nadat Breda door eigen inzet een faillissement had afgewend, leek het zinvol om het Bredase geluid te laten horen. Binnen de vereniging Breda was er namelijk een afkeer ontstaan van ‘het landelijk’. Een afkeer die haar oorsprong vond in de ongeïnteresseerde houding van COC Nederland inzake de toenmalige problemen van Breda. Zelfs toen Breda een nieuw kantoor kon openen schitterde COC Nederland door afwezigheid.
 
Kortom, met een kritische blik heb ik de handelingen van COC Nederland gevolgd. Tijdens de directeurscrisis 2004 verzette Breda zich tegen de gang van zaken op het landelijk. De toenmalige directeur raakte verwikkeld in een machtsstrijd tussen haar en het bestuur. Een machtsstrijd die ontstond nadat zij was teruggekeerd van zwangerschapsverlof.
 
Oorzaak: het bestuur had de directeurstaken waargenomen en had moeite deze invloed los te laten.
 
Met een gegoochel van cijfers werd de directeur verweten verantwoordelijk te zijn voor een verlies van zo’n 140.000 Euro. De directeur reageerde met een brief waarin zij frontaal de aanval inzette op het bestuur. Breda heeft in die periode verklaard dat de positie van het bestuur onhoudbaar was vanwege het gegoochel met cijfers en dat ook de directeur niet kon blijven vanwege haar geopenbaarde brief met daarin beschadigende verenigingsinformatie. Na veel moddergooien te hebben verstouwd kreeg Breda achteraf volledig gelijk van de Amsterdamse rechtbank.
 
Na de rust onder het interimbestuur van Wybren Bakker kwam het huidige bestuur aan het bewind. Breda was optimistisch en vol vertrouwen.

Breda wilde immers dat het COC slagvaardiger en toegerust op de 21e eeuw vooruit ging kijken.

Door het instellen van de Strategische Commissie waren daar alle mogelijkheden ook voor geschapen. De eerste teleurstelling kwam echter nadat de Strategische Commissie haar rapport had uitgebracht. Haar advies werd verwerkt in de beleidsnota 2006/2007 in plaats van direct over te gaan tot het bespreken en doorvoeren van structuurwijzigingen.
 
Daarna ging alles snel. Na afloop van de penningendag (half november) informeerde Frank van Dalen mij dat de nieuwe directeur niet goed functioneerde. Hij kondigde een mogelijke breuk aan. Op de daaropvolgende Algemene Vergadering (eind november) werd er echter met geen woord over gesproken. Daardoor was ik verrast te vernemen dat de directeur per 1 december was geschorst.
 
Ook het nieuws dat de voorzitter en secretaris de directeurstaken gingen overnemen was eigenlijk niet verbazingwekkend… al was ik wel bevreesd voor een herhaling van 2004.
 
Wat me wel rauw op het dak viel was het bestuursbesluit om het budget ‘directeur’ aanzienlijk op te hogen. Toen ik hier Frank van Dalen op aansprak, kreeg ik de later veelgehoorde zin “Als je met noten betaalt krijg je enkel apen” te horen.

Toen Breda (half januari) kennis kreeg van het bestuursbesluit om met terugwerkende kracht (per 1 december) het verhoogde directeursbudget aan de voorzitter en secretaris toe te bedelen was het Bredase bestuur onthutst. In de wetenschap dat vele bestuurders nauwelijks de eindjes aan elkaar kunnen knopen vond Breda deze handelwijze een volstrekt onaanvaardbare vorm van belangenverstrengeling.
 
Na meermaals met COC Nederland te hebben gecommuniceerd over de Bredase bezwaren bleef het doodstil richting de lidverenigingen. Van enige transparante informatie was geen sprake. Pas een week nadat het ‘nieuws’ in de openbaarheid kwam werd de eerste brief met uitleg verstuurd.
 
Op dit moment staan Breda en COC Nederland lijnrecht tegenover elkaar en is van een constructieve communicatie geen sprake.

De federatiestructuur met de daaraan gekoppelde afstand heeft COC Nederland doen vergeten dat de als ballast ervaren lidverenigingen méér zijn dan enkel ledenbeheerders. Soms hebben ze een mening en principes, en daar had men in Amsterdam geen rekening mee gehouden.
 
Concluderend moet ik opmerken dat het COC zelfreflectie niet hoog heeft staan. Zelfs wanneer de eigen regels en statuten worden overtreden mag de organisatie niet openlijk bekritiseerd worden. Juist deze houding maakt de COC federatie zo gevoelig voor misstanden.
 
Iedere landelijke bestuurder die ook maar een beetje fout wil kan vrij zijn gang gaan. Het feit dat het bestuur zelf haar opvolgers uitkiest en voordraagt, schept daarvoor het juiste klimaat. De meerderheid van de Algemene Vergadering is daarbij horende doof en ziende blind.