In Memoriam: Juliana
Rob Tielman
Gepubliceerd op: 20 maart 2004
Als voorzitter van het Humanistisch Verbond van 1977 tot 1987 heb ik in de laatste jaren van haar koninginschap meerdere keren gesprekken met haar gevoerd. Van 1971 tot 1975 was ik als algemeen secretaris van het COC veel in de publiciteit geweest. Toe ik haar in 1977 ontmoette bleek zij goed op de hoogte van mijn achtergronden.
Zonder het woord homoseksualiteit te gebruiken, maakte zij duidelijk grote waarde te hechten aan verdraagzaamheid tussen mensen en minderheden.
Zij haalde uitspraken aan van de oprichter van het Humanistisch Verbond, Jaap van Praag, waaruit haar waardering bleek voor de wijze waarop hij pleitte voor het respecteren van mensenrechten van iedereen.
Opvallend vond ik de volstrekt vanzelfsprekende wijze waarop zij op voet van gelijkwaardigheid met mensen omging. Zij was goed op de hoogte wat in de samenleving speelde en toonde grote betrokkenheid bij maatschappelijke vraagstukken. Ze had een gemoedelijke manier om mensen op hun gemak te stellen.
Een kenmerkend voorbeeld om dat duidelijk te maken. Tijdens de herdenking van de Unie van Utrecht in 1979 in de Domkerk te Utrecht stond ik na afloop met haar en de toenmalige burgemeester Henk Vonhoff van Utrecht te praten. Buiten de openbaarheid hield zij er van om sigaretten te roken. Toen de ene op was, stak zij de volgende in haar mond en keek ons vragend aan of wij een vuurtje hadden. Henk Vonhoff en ik hadden als niet-rokers geen vuur bij ons. Naast ons stond een grote kandelaar met kaarsen. Henk Vonhoff greep met een wijds gebaar de kandelaar en hield die met een van de brandende kaarsen onder haar sigaret. Zij stak de sigaret in de mond in het kaarsvuur en voort ging het informele gesprek. Voor mij was het goed voorbeeld van het feit dat zij wars was van allerlei protocol en het onderling contact tussen mensen veel belangrijker vond.
Hoewel zij zich voorzover ik kan nagaan nooit openlijk over homoseksualiteit heeft uitgelaten, ben ik er van overtuigd dat zij op dit punt veel verdraagzamer was dan veel van haar toenmalige tijdgenoten.
Dit blijkt onder andere uit het feit dat zij (in die tijd begrijpelijk vaak verborgen levende homoseksuelen) in haar omgeving kende en daar nooit een probleem van heeft gemaakt als ik de verhalen hierover van betrokkenen mag geloven.
Zij was een koningin waar de homo/lesbische minderheid zich verbonden mee voelde. De steeds uitbundiger viering van Queens Day uit alle hoeken van de homo/lesbische wereld is een duidelijke uiting van onze dankbaarheid voor haar.
Zonder het woord homoseksualiteit te gebruiken, maakte zij duidelijk grote waarde te hechten aan verdraagzaamheid tussen mensen en minderheden.
Zij haalde uitspraken aan van de oprichter van het Humanistisch Verbond, Jaap van Praag, waaruit haar waardering bleek voor de wijze waarop hij pleitte voor het respecteren van mensenrechten van iedereen.
Opvallend vond ik de volstrekt vanzelfsprekende wijze waarop zij op voet van gelijkwaardigheid met mensen omging. Zij was goed op de hoogte wat in de samenleving speelde en toonde grote betrokkenheid bij maatschappelijke vraagstukken. Ze had een gemoedelijke manier om mensen op hun gemak te stellen.
Een kenmerkend voorbeeld om dat duidelijk te maken. Tijdens de herdenking van de Unie van Utrecht in 1979 in de Domkerk te Utrecht stond ik na afloop met haar en de toenmalige burgemeester Henk Vonhoff van Utrecht te praten. Buiten de openbaarheid hield zij er van om sigaretten te roken. Toen de ene op was, stak zij de volgende in haar mond en keek ons vragend aan of wij een vuurtje hadden. Henk Vonhoff en ik hadden als niet-rokers geen vuur bij ons. Naast ons stond een grote kandelaar met kaarsen. Henk Vonhoff greep met een wijds gebaar de kandelaar en hield die met een van de brandende kaarsen onder haar sigaret. Zij stak de sigaret in de mond in het kaarsvuur en voort ging het informele gesprek. Voor mij was het goed voorbeeld van het feit dat zij wars was van allerlei protocol en het onderling contact tussen mensen veel belangrijker vond.
Hoewel zij zich voorzover ik kan nagaan nooit openlijk over homoseksualiteit heeft uitgelaten, ben ik er van overtuigd dat zij op dit punt veel verdraagzamer was dan veel van haar toenmalige tijdgenoten.
Dit blijkt onder andere uit het feit dat zij (in die tijd begrijpelijk vaak verborgen levende homoseksuelen) in haar omgeving kende en daar nooit een probleem van heeft gemaakt als ik de verhalen hierover van betrokkenen mag geloven.
Zij was een koningin waar de homo/lesbische minderheid zich verbonden mee voelde. De steeds uitbundiger viering van Queens Day uit alle hoeken van de homo/lesbische wereld is een duidelijke uiting van onze dankbaarheid voor haar.