Hans Evers uit Groningen

Hans Evers uit Groningen
Op een zondag, vroeg in de middag, een week voor Pasen, zag ik een jongen in de hal van het Centraal Station. De verlorenheid straalde van hem af. Wachtte hij op iemand?

Onze blikken ontmoetten elkaar. Om zijn mond plooide zich een vage glimlach, tegelijk dat hij mij een oogwenk gaf. 'Neem je me mee?'

Hoerenjongen
Ik wist dat ik verliefd op hem was en van hem hield. Maar ik aarzelde, en liep hem voorbij. Nu voelt mijn hart wroeging. Heb ik hem niet zelf aan zijn lot overgelaten? Want waarom had hij een weekendtas achter zich staan. Zaten daarin zijn kleren? Hij kon zijn weggelopen zonder geld voor eten en onderdak. Of was hij een hoeren­jongen? En moest die tas zijn bagage voorwenden om niet door de Spoorwegpolitie te worden verjaagd?

Schandknaap
Ik was naar de loketten toegelopen, in hevige tweestrijd om in de stad te blijven en de jongen aan te spreken. Waar was ik bang voor? Eigenlijk voor alles. Niet in het minst voor mijn oprechte bedoeling . ( "Maar een zekere reiziger kwam in zijn nabijheid, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.") De jongen toonde kwetsbaar. Ik diende hem dan ook te beschermen tegen geilbuiken, die van zijn weerloosheid gretig misbruik zouden maken. De stationshal was immers een trefplaats van broodjongens en hun klanten. Of liet ik mij misleiden en was hij werkelijk een schandknaap? Ik raakte tot geen slotsom en kocht mijn treinkaartje.

Schoonheid
Terugkerend naar de hal passeerde ik hem opnieuw van dichtbij. Zijn tengere gestalte stond nog even roerloos voor een zuil. Hij had half lang, slordig krullend, licht donkerblond haar. Zijn verdroefde gezicht was teer belijnd, vervolmaakt door een bleke gelaatsteint. Dit kind uit een volksbuurt was de gunsteling van de Schoonheid. "Zie mij aan, die Uw naam bemint."

Eigen schuld
Maar de jongen ontweek mijn blik, mogelijk uit trots door al mijn twijfels. "Verlatenheid en een hooghartig streven/ eenzamer dan den eenzame te zijn", dichtte Leopold. Ik haastte mij in de richting van het perron en keek nog eenmaal achterom. De grote tas die hij bij zich had was zwart van kleur. Een kleur van dwaling en smart. Ik zal je hierna nooit meer zien. Het is mijn eigen schuld.